HEMELSE VERBORGENHEDEN - Arcana Coelestia

  • Naar de onderstaande nummers wordt door Swedenborg verwezen in het werk over de
  • Over de aardbollen in ons zonnestelsel
  • de moderne Nederlandse vertaling is van Henk Weevers.
  • Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis 2007.

Hemelse Verborgenheden 40.

Met 'kruipende dieren die de wateren voortbrengen', (Genesis 1:20), wordt de kennis in het geheugen bedoeld, die tot de uiterlijke mens behoort. Met vogels in het algemeen de dingen van de rede en ook van het inzicht, dit laatste behoort tot de innerlijke mens. Dat de kruipende dieren van de wateren of de vissen de verzamelde kennis in het geheugen betekenen, blijkt bij Jesaja: 'Ik kwam en daar was geen man, door Mijn schelden zal ik de zee droog maken. Ik zal de rivieren stellen tot een woestijn, dat haar vis zal stinken omdat er geen water is, en zal sterven van dorst; Ik zal de hemelen met zwartheid bekleden', (Jesaja 50:2, 3). Nog duidelijker komt het uit bij Ezechiël, waar de Heer de nieuwe tempel beschrijft, of in het algemeen de Nieuwe Kerk, en de mens van de Kerk of degenen die zijn wedergeboren, want eenieder die wedergeboren is, is een tempel van de Heer: 'De Heer Jehovah zei tot mij: deze wateren die naar de oostelijke grens zullen uitgaan, zullen in de zee komen; in de zee uitgebracht zijnde, zo zullen de wateren gezond worden. En het zal geschieden dat alle levende ziel die er zal wemelen, overal waarheen het water van de rivieren komt, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarheen komen, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles waarheen deze rivier komt. Ook zal het geschieden dat er vissers aan de rivier zullen staan van En-gedi aan tot En-Englaïm toe, tot uitspreiding van de netten; hun vis zal naar zijn aard wezen, als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig', (Ezechiël 47:8, 9, 10). Vissers van En-gedi aan tot En-Eglaïm toe, tot uitspreiding van de netten, betekenen hen, die de natuurlijke mens zullen onderrichten in de waarheden van het geloof. Dat de vogels de dingen van de rede en van het inzicht betekenen, wordt duidelijk bij de profeten, als bij Jesaja: 'Roepende van de opgang een roofvogel, een man Mijns raad uit een ver land', (Jesaja 46:11). 'Ik zag en ziet, er was geen mens; en alle vogel der hemelen was weggevlogen', (Jeremia 4:25). 'Ik zal een takje van een hoge ceder planten, en hij zal takken voortbrengen en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijke ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen', (Ezechiël 17:23). Bij Hosea, waar sprake is van de Nieuwe Kerk, of de wedergeboren mens: 'En Ik zal te dien dage een verbond met hen maken, met het wild gedierte van het veld, en met de vogel der hemelen en met het kruipende gedierte van de aardbodem', (Hosea 2:17). Dat een wild dier niet betekent een wild dier, noch een vogel een vogel, kan eenieder duidelijk zijn, omdat de Heer een nieuw verbond met hen instelt.

Hemelse Verborgenheden 67.

Het is mij door de goddelijke barmhartigheid van de Heer gegeven de innerlijke zin van het Woord te weten en de diepste verborgenheden die daarin liggen, die nooit eerder in de gedachten van een mens zijn opgekomen, noch hiervoor er ooit in konden oprijzen, noch ooit kan weten, tenzij hij weet hoe het met de dingen in het andere leven gesteld is. Het merendeel van de verborgenheden namelijk, die in de innerlijke zin van het Woord liggen, betreft deze dingen en vermeldt en bevat ze. Het is mij vergund deze verborgenheden, die ik nu verscheidene jaren achtereen gehoord en gezien heb en waarin het mij was toegestaan om in het gezelschap te zijn van engelen en geesten, te onthullen.

Hemelse Verborgenheden 68.

Ik ben mij er zeer wel van bewust dat velen zullen zeggen dat nooit iemand met engelen en geesten kan spreken zolang hij in het lichaam leeft; en velen zullen zeggen dat het verbeelding is, anderen zullen zeggen dat ik deze dingen meedeel om vertrouwen te winnen en weer anderen zullen weer wat anders zeggen. Maar door dit alles zal ik mij niet laten weerhouden, want ik heb gezien, gehoord en gevoeld.

Hemelse Verborgenheden 69.

De mens is door de Heer zo geschapen dat hij, terwijl hij nog in het lichaam leeft, toch tevens met engelen en geesten zou kunnen spreken, zoals ook in de oudste tijden voorkwam. Want de mens is een geest bekleed met een lichaam en daarom één met hen. Omdat echter in de loop van de tijd de mensen zich dermate in lichamelijke en wereldse dingen hebben ondergedompeld, zodat ze nauwelijks meer om iets anders gaven, is die weg dan ook afgesloten. Maar zodra de lichamelijke dingen, waarin hij ondergedompeld is, terugtreden, wordt die weg weer geopend en is hij onder geesten en leeft met hen samen.

Hemelse Verborgenheden 73.

De geesten die onderwijzen voegen zich ook tot hun linkerzijde, maar dan meer naar voren. Zij vermanen eveneens, maar mild en daarna leren ze hen hoe men behoort te leven. Zij verschijnen ook donker, maar niet zoals de vorigen als een wolk, maar als in zakken gehuld. Dezen worden leermeesters genoemd, maar de voorgaande tuchtmeesters. Als deze leermeesters tegenwoordig zijn, zijn er ook engelgeesten aanwezig die zich bij het hoofd neerzetten en dit op een bijzondere wijze vullen. Hun tegenwoordigheid wordt daar ook als een zachte adem bemerkt, want ze zijn bevreesd dat de mens door hun nadering en invloeiing ook maar de minste pijn of angst zal bemerken. Zij besturen de geesten die tuchtigen en onderwijzen; de eersten, opdat ze de mens niet strenger behandelen dan door de Heer wordt toegestaan, de anderen, opdat die de waarheid zullen spreken. Toen een tuchtigende geest bij mij was, waren de engelgeesten ook aanwezig en hielden mijn gelaat aanhoudend opgeruimd en glimlachend, en de streek rond de lippen vooruitstekend en mijn mond enigszins open. De engelen kunnen dit gemakkelijk doen door invloeiing, wanneer het toestaat. Ze zeiden dat ze zo'n gelaatsuitdrukking bij de bewoners van hun aarde veroorzaken als ze hen tegenwoordig zijn.

Hemelse Verborgenheden 195.

De Oudsten hebben alles wat in de mens was, met dieren en vogels niet vergeleken, maar zo genoemd. Van dien aard was hun manier van spreken; zo bleef het ook in de Oude Kerk na de vloed en een dergelijke spreekwijze werd bij de profeten in stand gehouden. Het zinnelijke van de mens noemden zij slangen, want zoals slangen het dichtst bij de aarde zijn, zo is ook het zinnelijke het dichtst bij het lichaam. Daarom noemden zij de uit het zinnelijke voortkomende redeneringen over geloofsmysteriën slangengiften en de redeneerders zelf slangen. Daar dezen nu vanuit het zinnelijke of zichtbare, zoals de aardse, lichamelijke, wereldse en natuurlijke dingen, veel redekavelen, wordt er gezegd; 'de slang was listiger dan al het wild gedierte van het veld'. Zo ook bij David: 'Zij scherpen hun tong als een slang, addervergift is onder hun lippen', (Psalm 140:4,5,6). Daar is sprake van hen, die de mens door redeneringen verleiden. Bij dezelfde: 'De leugensprekers dolen van de moedersbuik aan, venijn hebben zij naar gelijkheid van het venijn van de slang, zoals een dove giftige adder haar oor verstopt, opdat zij niet hore naar de stem van de belezers, van degene die deelneemt aan de vergaderingen van de wijze', (Psalm 58:4,5,6). De redeneringen worden hier slangengif genoemd en deze zijn van dien aard, dat zij dat wat wijs is of de stem van de wijze niet eens horen; vandaar de bij de Ouden gebruikelijke spreekwijze dat de slang haar oor verstopt. Bij Amos: 'Als wanneer iemand kwam in een huis en leunde met zijn hand aan de wand en hem beet een slang, zal dan niet de dag van Jehovah duisternis zijn en geen licht? En donkerheid en geen glans aan hem?', (Amos 5:19,20). De hand aan de wand voor eigen macht en vertrouwen op het zinnelijke, vandaar de verblinding die beschreven wordt. Bij Jeremia: 'De stem van Egypte zal gaan als van een slang, want zij zullen met macht daarheen trekken en tot haar met bijlen komen, gelijk houthouwers; zij zullen haar woud afhouwen, spreekt Jehovah, omdat het niet onderzocht zal worden, want zij zijn meer vermenigvuldigd dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan; de dochter van Egypte is beschaamd; zij zal gegeven worden in de hand van het volk van het Noorden', (Jeremia 46:20,22,23,24). Egypte staat voor het redekavelen over goddelijke dingen vanuit het zinnelijke en het wetenschappelijke. De redeneringen heten, stem van de slang, en de verblinding die daaruit volgt, wordt aangeduid met volk van het noorden. Bij Job: 'Het vergif van de adders zal hij zuigen, de tong van de slang zal hem doden, de beken, de stromen van rivieren van honing en boter zal hij niet zien', (Job 20:16,17). Rivieren van honing en boter zijn de geestelijke en hemelse dingen, die de redeneerders niet zullen zien, de redeneringen worden vergif van de adders en tong van de slang genoemd, zie ook: (vers 14,15).

Hemelse Verborgenheden 196.

In de oudheid werden degenen slangen genoemd, die hun vertrouwen meer stelden in het zinnelijke dan in het geopenbaarde. Heden ten dage is dit nog meer het geval, want niet alleen dat er zijn die niets geloven, zo zij niet zien en voelen, maar er zijn er ook die zich in hun ongeloof bevestigen door wetenschappelijkheden die de Oudsten onbekend waren, en zich zo nog veel erger verblinden. Om te weten hoezeer zij, die uit het zinnelijke, wetenschappelijke en filosofische gevolgtrekkingen over het hemelse maken, zich verblinden, zodat zij nadien niets meer zien en horen, en niet alleen dove slangen maar ook vliegende slangen zijn, die veel verderfelijker zijn, waarvan ook in het Woord sprake is, dient tot voorbeeld, wat zij van de geest geloven. Wie een zinnelijk mens is of wie alleen de zinnen gelooft, loochent het bestaan van de geest omdat hij hem niet ziet; hij is er niet, zegt hij, want ik neem hem niet waar; wat ik zie en betast, daarvan weet ik dat het er is. Wie wetenschappelijk is of uit de wetenschappen zijn gevolgtrekkingen maakt, zegt dat de geest niets anders is dan een adem of een warmte of iets anders dat deel van zijn kennis uitmaakt, en uitdooft om te verdwijnen. Hebben niet ook de dieren een lichaam, zinnen en een soort van rede en toch zegt men van hen dat zij zullen sterven en dat de mensengeest zal leven? Zo loochenen zij het bestaan van de geest. De filosofen die scherpzinniger willen zijn dan de anderen, spreken over de geest in termen die zij zelf niet verstaan, daar zij er over redetwisten en beweren dat er voor de geest geen enkele benaming geschikt is, die nog iets aan de stof, het organische of de ruimte ontleent. Zo onttrekken zij de geest aan hun voorstellingen, zodat deze voor hen verdwijnt en tot niets wordt. De minder verdwaasden echter zeggen weliswaar, dat de geest de gedachte is, maar als ze over het denken gaan redeneren, komen ze tenslotte, omdat ze haar van het substantiële scheiden, tot de slotsom dat zij moet verdwijnen als het lichaam sterft. Zo loochenen allen die van het zinnelijke, wetenschappelijke en filosofische uit redeneren, het bestaan van de geest en met dat te loochenen, geloven zij in het geheel niets van wat er over de geest en over geestelijke dingen wordt gezegd. Maar zo men daarentegen de eenvoudigen van hart ondervraagt, zeggen zij te weten dat de geest bestaat, daar de Heer gezegd heeft dat zij na de dood zullen leven. Dezen doven hun rede niet uit, maar maken haar levend door het Woord van de Heer.

Hemelse Verborgenheden 197.

Door de slang werd bij de Oudsten, die hemelse mensen waren, de omzichtigheid aangeduid, dus evenzo het zinnelijke door middel waarvan zij zich in acht konden nemen, dat de bozen hun geen hinderlagen legden; dit blijkt uit de woorden van de Heer tot de discipelen: 'Ziet, Ik zende u als schapen in het midden van de wolven, zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en eenvoudig gelijk de duiven', (Matthéüs 10:16). Verder ook uit de koperen slang die in de woestijn werd opgericht; hierdoor werd het zinlijke van de Heer aangeduid, Die alleen de Hemelse Mens is, en Alleen voor allen wakend toeziet en voorziet, waarom dan ook zij die daarnaar opzagen, behouden werden. Hemelse Verborgenheden 202. De Oudste Kerk, die een hemelse mens was, was van dien aard dat zij niet alleen niet van de 'boom van de kennis van goed en kwaad' at, dat wil zeggen; uit het zinnelijke en wetenschappelijke leren wat de zaken van het geloof zijn, maar het was haar zelfs niet eens vergund die boom aan te raken, dat wil zeggen; uit het zinnelijke en wetenschappelijke over iets te denken wat deel van het geloof uitmaakt, opdat zij niet van het hemelse leven in het geestelijke leven, en zo verder zouden wegzinken. Van deze aard is ook het leven van de hemelse engelen; zij die onder hen nog inniger hemels zijn, staan zelfs niet eens toe, dat het geloof of wat ook maar met het geestelijke verband houdt, genoemd wordt. Als het al door anderen genoemd wordt, verstaan zij in plaats van het geloof de liefde en dit met een onderscheid dat alleen aan hen bekend is. Zo leiden zij alles wat tot het geloof behoort, van de liefde en de naastenliefde af. Nog minder verdragen zij het om iets van redenering en het allerminst om iets wetenschappelijks over het geloof te horen, want zij hebben een innerlijke gewaarwording van de Heer door middel van de liefde over wat goed en waar is. Uit deze gewaarwording weten zij direct of iets zó is of anders. Wordt er dan ook iets van het geloof gezegd, dan antwoorden zij niet anders dan dat het zo is of niet zo is, daar zij het van de Heer uit voelen. Dit is het wat de woorden van de Heer betekenen bij Matthéüs: 'Laat zijn uw woord, ja, ja; nee, nee; wat boven deze is, dat is 'uit de boze', (Matthéüs 5:37). Ziehier nu, waarom het hun zelfs niet veroorloofd was, de vrucht van de boom der kennis aan te raken, want door dat te doen waren ze in het boze of zouden daaraan sterven. Niettemin spreken de hemelse engelen onder elkaar net als de andere engelen over verschillende dingen, maar in een hemelse taal, die is gevormd uit en afgeleid van de liefde. Deze taal is onuitsprekelijker dan de taal van de geestelijke engelen.

Hemelse Verborgenheden 210.

Opdat men mag weten wat het eigene is van de mens: dit is al het boze en valse dat uit de eigenliefde en de wereldliefde voortvloeit, en dat men de Heer of het Woord niet gelooft maar zichzelf, en meent dat datgene, wat men niet zinnelijk of wetenschappelijk kan bevatten, niet is. Daardoor wordt de mens niets dan boosheid en valsheid, en zo ziet hij alles verkeerd. Wat boos is ziet hij als goed, wat goed is als boos; wat vals is als waar en wat waar is als vals. Wat is, houdt hij voor niets en wat niets is, houdt hij voor alles. Haat noemt hij liefde, duisternis licht, dood leven, en omgekeerd. In het Woord worden zulke mensen lammen en blinden genoemd. Dit nu is het eigene van de mens dat op zichzelf hels en verdoemd is.

Hemelse Verborgenheden 215.

Dat het eigene niets dan boosheid en valsheid is, kon ik ook daaruit opmaken, dat alles wat geesten ooit uit zichzelf spraken, boos en vals was, en wel zozeer, dat ik, zodra mij maar te kennen werd gegeven dat zij uit zichzelf spraken, direct wist dat het vals was, hoewel zij onder het spreken er zo vast van overtuigd waren dat het waar was, dat ze geenszins twijfelden. Met hen komt de mens die zo'n aard heeft, overeen. Evenzo werd het mij te verstaan gegeven dat al diegenen die begonnen te redeneren over de dingen die tot het geestelijke en hemelse leven of tot het geloof behoren, twijfelden, ja zelfs loochenden. Want over het geloof redeneren staat gelijk met twijfelen en loochenen, en daar het uit henzelf of uit het eigene komt, zijn het louter valsheden waarin zij vervallen, en dus in een afgrond van duisternissen, dat wil zeggen, van valsheden. Zijn zij in deze afgrond, dan geldt de kleinste bedenking voor meer dan duizend waarheden, en zij is als een stofje, dat, in het oog gekomen, maakt dat het van de hele wereld en van wat daarin is, niets ziet. Van hen zegt de Heer bij Jesaja: 'Wee degenen, die in hun ogen wijs en voor hun aangezichten verstandig zijn!', (Jesaja 5:21). Bij dezelfde: 'Uw wijsheid en uw wetenschap heeft u afkerig gemaakt en gij hebt in uw hart gezegd: ik ben het en niemand meer dan ik; en er zal een kwaad over u komen, gij zult de dageraad daarvan niet weten, en een verderf zal er op u vallen, wat u niet zult kunnen verzoenen, en er zal snellijk een verwoesting over u komen, die gij niet weet', (Jesaja 47:10,11). Bij Jeremia: 'Eenieder mens is dom geworden door de wetenschap, eenieder goudsmid is beschaamd door het gesneden beeld, want, zijn gegoten beeld is leugen en er is geen geest in hen', (Jeremia 51:17). Gesneden beeld voor het valse dat tot het eigene behoort, gegoten beeld voor het boze dat tot het eigene behoort.

Hemelse Verborgenheden 301. zie ook 784

De tweede verborgenheid is deze, dat zij - de mensen van de Oudste Kerk vóór de zondvloed -, als ze onderricht waren in de mysteries van het geloof, voor eeuwig verloren zouden zijn gegaan, wat wordt aangeduid met deze woorden: 'nu zal hij wellicht zijn hand uitsteken, en nemen ook van de boom des levens, en eten en in eeuwigheid leven'. Hiermee is het zo gesteld: als mensen de levensorde in zich hebben omgekeerd en alleen uit zichzelf en uit het eigene willen leven en wijs zijn, dan beredeneren ze alles wat ze over het geloof horen, of het al dan niet zo is. Daar ze het uit zichzelf doen, uit het zinlijke en wetenschappelijke van hen, kunnen ze niet anders dan ontkennen. En wanneer ze ontkennen, lasteren en ontwijden ze ook, en tenslotte bekommeren ze er zich zelfs niet meer om, of ze het profane met het heilige vermengen. Wanneer de mens zo'n geaardheid heeft gekregen, dan is hij in het andere leven dermate verdoemd, dat er niet enige hoop op verlossing meer rest. Want wat door ontwijdingen vermengd is, hangt vermengd aan elkaar; niet zo gauw doet zich een voorstelling van het heilige voor, of de daaraan verbonden voorstelling van het profane treedt ook te voorschijn, en dit maakt dat hij in geen ander gezelschap dan in dat van de verdoemden kan zijn. In het andere leven wordt, door de geesten in de geestenwereld, maar nog meer door de engel-geesten, alles wat met een denkvoorstelling als gevolg hiervan is verbonden, tot in de fijnste bijzonderheden waargenomen, en wel zo scherp, dat ze uit een enkele voorstelling alleen al weten van welke aard iemand is. Dit profane dat met het heilige is verbonden, kan niet verdreven worden, anders dan onder zulke helse folteringen, dat als de mens dit wist, hij zich voor ontwijding zou wachten als voor de hel zelf.

Hemelse Verborgenheden 302. zie ook 784

Dit was de oorzaak, waarom aan de Joden, omdat zij zo'n geaardheid hadden, de mysteriën van het geloof op geen enkele wijze zijn geopenbaard. Het ging zelfs zo ver, dat het hun niet eens openlijk werd gezegd dat ze na de dood leven zullen, en ook niet openlijk, dat de Heer in de wereld zou komen om hen zalig te maken. Ja, zelfs werden zij en worden ze nog in zo'n grote onwetendheid en stompzinnigheid gehouden, dat ze niet wisten en nog niet weten, dat er een innerlijke mens is, of dat er iets innerlijks bestaat. Want als ze dit geweten hadden, en wisten, zodat ze het erkenden, bracht hun aard het mee, dat ze het zouden ontwijden, en dus voor hen in het geheel geen hoop op enig heil in het andere leven zou overblijven. Het is dit wat de Heer bedoeld heeft bij Johannes: 'Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zich bekeren en Ik hen genees', (Johannes 12:40). Daarom heeft de Heer door gelijkenissen met hen gesproken en er hun geen enkele uitgelegd, 'opdat zij ziende niet zien en horende niet horen en verstaan zouden', (Matthéüs 13:13). Om deze reden ook werden voor hen alle mysteriën van het geloof verzegeld en bedekt gehouden onder de uitbeeldingen van hun Kerk. Om diezelfde reden was ook de profetische stijl van zo'n aard. Iets te weten is toch iets anders als te erkennen; wie weet en niet erkent, die is, alsof hij niet wist; maar wie erkent en daarna lastert en ontwijdt, is degene die door de Heer met deze woorden wordt bedoeld.

Hemelse Verborgenheden 303. zie ook 784

De mens verwerft zichzelf een leven door alles waardoor hij wordt overtuigd, dat wil zeggen, door alles wat hij erkent en gelooft. Waarvan hij niet overtuigd wordt, of wat hij niet erkent en gelooft, heeft geen invloed op zijn gemoed. Vandaar kan niemand het heilige ontwijden, als hij daarvan niet overtuigd is, behalve als hij het erkent, en het dan toch weer loochent. Zij die niet erkennen, kunnen wel wéten, maar ze bevinden zich in dezelfde positie als zij die niet weten. Van zo'n aard waren de Joden ten tijde van de komst van de Heer; en wanneer de mensen zo zijn wordt in het Woord gezegd, dat zij verwoest zijn, of dat er geen geloof meer is. Dan schaadt het ook niet of het innerlijke van het Woord voor hen geopend wordt. Ze zijn dan als zienden die niets zien en horenden die niets horen, en die een verhard hart hebben. Van deze mensen zegt de Heer: 'Ga heen en zeg tot dit volk, horende hoort maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet; maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar en sluit hun ogen opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze', (Jesaja 6:9,10). Dat de mysteriën van het geloof niet onthuld worden, alvorens zij van zo'n aard zijn, namelijk verwoest zodat ze niet meer geloven, om de reeds eerder aangevoerde reden, dat ze niet meer kunnen ontwijden, wordt ook door de Heer duidelijk gezegd in wat er onmiddellijk op volgt: 'Ik zei, hoe lang Heer? En Hij zei: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat de aardbodem met verwoesting verwoest worde, en Jehovah zal de mens verre wegdoen', (Jesaja 6:11,12). 'Mens' heeft betrekking op degene die wijs is, of erkent of gelooft. Van zo'n aard waren zoals gezegd de Joden ten tijde van de komst van de Heer, en om dezelfde reden worden ze ook nu nog in zo'n verwoesting gehouden, door begeerte en vooral door gierigheid, opdat zij, hoewel ze duizenden keren over de Heer hebben gehoord en gedetailleerd over de uitbeeldingen van hun Kerk, dat deze elk in het bijzonder de Heer betekenen, nochtans niet erkennen en geloven. Dit nu was de reden waarom de mensen van vóór de vloed uit de Hof van Eden werden verdreven en verwoest, totdat ze niets meer van het ware konden erkennen.

Hemelse Verborgenheden 322.

Men dient zich te hoeden voor de onjuiste mening dat geesten niet veel fijnere gewaarwordingen hebben dan in het leven van het lichaam. Het tegendeel weet ik door duizenden en duizenden ervaringen. Maar als men dit niet wil geloven, vanwege de vooroordelen die men zich omtrent de geest heeft gevormd, laat men dit dan zelf ervaren als men in het andere leven komt; de eigen ondervinding zal dan doen geloven. De geesten hebben niet alleen het gezichtsvermogen, want ze leven in het licht, maar de goede geesten en engelen zijn in zo'n groot licht, dat het licht van de middag in de wereld er nauwelijks mee kan worden vergeleken. Het licht waarin ze leven en waardoor ze zien, zal later besproken worden door de goddelijke barmhartigheid van de Heer. Geesten hebben eveneens gehoor en wel zo fijn, dat het gehoorvermogen in het lichaam daarmee niet gelijk kan worden gesteld. Ze spraken met mij nu al verscheidene jaren lang vrijwel ononderbroken, maar ook over hun spraak zal worden meegedeeld door de goddelijke barmhartigheid van de Heer. Ook hebben zij een reukvermogen, waarover ook later wordt meegedeeld door de goddelijke barmhartigheid van de Heer. Ze hebben een uiterst gevoelige tastzin, vandaar de smarten en kwellingen in de hel, want alle zintuigen hebben een relatie met de tastzin, waarvan ze slechts afgeleide vormen en schakeringen zijn. Zij hebben begeerten en aandoeningen, waarmee die welke ze in het lichaam hadden evenmin mee kunnen worden vergeleken. Hierover wordt later meer gesproken door de goddelijke barmhartigheid van de Heer. Geesten denken met veel dieper inzicht en onderscheidingsvermogen, dan ze in het leven van het lichaam dachten. Er zijn meer dingen gevat in één enkel idee in hun gedachten dan duizend ideeën die ze hadden in de wereld. Ze spreken onder elkaar zo schrander, scherpzinnig, met wijsheid en duidelijkheid, dat de mens versteld zou staan als hij er maar het minste van zou vernemen. Kortom, zij hebben volstrekt niets verloren, waardoor ze niet als mensen zouden zijn, maar dan meer volkomen, zonder beenderen en vlees en de onvolkomenheden daarvan. Zij erkennen en nemen waar dat zolang ze in het lichaam leefden, het de geest was, die voelde, en dat hoewel het scheen, alsof het gevoel in het lichaam was, het toch niet tot het lichaam behoorde. Vandaar dat na het afwerpen van het lichaam het leven van de gevoelens veel intenser en volmaakter is. Het leven bestaat in het gevoel, want zonder gevoel geen leven, en zoals het gevoel is, zo is het leven, een feit dat eenieder bekend mag zijn.

Hemelse Verborgenheden 337.

Hier wordt gehandeld over het verval van de Oudste Kerk, dat wil zeggen over de vervalsing van de leer, en dus over ketterijen en sekten, die worden aangeduid met de namen Kaïn en van zijn afstammelingen. We dienen ons te realiseren dat men in het geheel niet kan begrijpen hoe de leer vervalst werd, of hoe de ketterijen en de sekten van die Kerk waren, als men niet voldoende weet, van welke aard de ware Kerk is; dan pas kan men dit begrijpen. De Oudste Kerk is hiervoor voldoende behandeld, en er werd aangetoond dat zij een hemels mens was, en dat zij geen ander geloof erkende dan dat wat van de liefde tot de Heer en jegens de naaste uitging. Door deze liefde hadden ze van de Heer het geloof of de innerlijke gewaarwording van al datgene wat tot het geloof behoorde, daarom wilden zij het geloof ook niet noemen, opdat het niet van de liefde gescheiden zou worden, zie: (200 tot 203). Van zo'n aard is de hemelse mens, en dat hij zo is, wordt door uitbeeldingen ook bij David beschreven, waar gehandeld wordt over de Heer, Die Koning genoemd wordt, en de hemelse mens 'de zoon van de Koning': 'Geef de Koning uw rechten en uw gerechtigheid de zoon van de Koning; de bergen zullen de volken vrede dragen, en de heuvelen in gerechtigheid; zij zullen u vrezen met de zon en voor het aangezicht van de maan, van geslacht tot geslacht, in zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij', (Psalm 72:1,3,5,7). Met de zon wordt de liefde aangeduid, met de maan het geloof; met bergen en heuvels de Oudste Kerk; met van geslacht tot geslacht de Kerken na de vloed. Er wordt gezegd, totdat de maan niet meer zij, daar het geloof liefde zal zijn, (Jesaja 30:26). Zo was de Oudste Kerk en dus haar leer. Heden ten dage echter is het geheel anders, want thans gaat het geloof vooraf, maar van de Heer wordt door het geloof naastenliefde geschonken en dan wordt de naastenliefde tot hoofdzaak. Hieruit volgt dat in de oudste tijden de leer werd vervalst, toen men zich voor het geloof verklaarde en men zo het geloof van de liefde scheidde. Zij, die de leer op deze wijze vervalsten, of het geloof van de liefde scheidden, of het geloof-alleen beleden, werden toenmaals Kaïn genoemd en dit was bij hen iets heel verdorvens.

Hemelse Verborgenheden 549.

De staat van engelen is van dien aard dat eenieder zijn welbehagen en zijn gelukzaligheid aan de ander meedeelt, want er bestaat in het andere leven een allernauwkeurigste mededeling en waarneming van alle gevoelens en gedachten. Vandaar dat eenieder zijn vreugde aan allen meedeelt, en allen aan eenieder, zodat zo als het ware eenieder het middelpunt van allen is; dit is de hemelse vorm. As gevolg hiervan: hoe meer het er zijn die het Rijk van de Heer uitmaken, des te groter is de gelukzaligheid, want deze neemt toe naar verhouding van de veelheid; dit is de reden waarom de hemelse gelukzaligheid onuitsprekelijk is. Zo'n mededeling van allen aan eenieder en van eenieder aan allen, vindt plaats, wanneer de een de ander meer liefheeft dan zichzelf. Als daarentegen iemand zichzelf meer bemint dan een ander, heerst eigenliefde, die uit zichzelf niets aan de ander meedeelt dan de voorstelling van zichzelf, wat een allervuilst idee is. Als men die waarneemt, wordt die persoon afgezonderd en verworpen.

Hemelse Verborgenheden 550.

Evenals in het menselijk lichaam het geheel en elk onderdeel samenwerkt tot de algemene en bijzondere doeleinden van alle functies, zo ook in het Rijk van de Heer, dat als één mens is en ook de Grootste Mens wordt genoemd. Daar draagt eenieder, van meer nabij of van verderaf en op allerlei wijze het zijne bij tot de gelukzaligheden van eenieder, en wel volgens een door de Heer alleen ingestelde en bestendige orde.

Hemelse Verborgenheden 597.

'Noach' betekent een nieuwe Kerk, die men de Oude Kerk kan noemen, om onderscheid te maken tussen de Oudste Kerk die vóór de vloed was, en die, welke ná de vloed was. De staten van deze Kerken waren geheel verschillend. De staat van de Oudste Kerk bestond hierin dat de mensen innerlijke gewaarwording van het goede en vandaar van het ware hadden door de Heer. De staat van de Oude Kerk of van Noach werd zo, dat men een geweten van het goede en ware had. Van dezelfde aard is het onderscheid tussen gewaarwording en het hebben van een geweten, zo was het onderscheid in staat tussen de Oudste Kerk en de Oude Kerk. Innerlijke gewaarwording is niet hetzelfde als geweten; zij die hemels zijn hebben innerlijke gewaarwording, zij die geestelijk zijn hebben geweten. De Oudste Kerk was hemels, maar de Oude Kerk was geestelijk. De Oudste Kerk had een onmiddellijke openbaring door haar verbinding met geesten en engelen, en ook door gezichten en dromen van de Heer, waardoor hun in het algemeen te weten werd gegeven wat goed en waar is. Wanneer zij het in algemene trekken wisten, werden deze min of meer algemene beginselen met ontelbare dingen door middel van innerlijke gewaarwordingen bevestigd. Deze ontelbare dingen maakten het bijzondere of afzonderlijke van die algemene beginselen, waarop zij betrekking hadden, uit. Zo werden, om zo te zeggen, de algemene beginselen dagelijks versterkt. Al wat niet met deze algemene beginselen strookte, voelden zij als niet zo te zijn, en al wat er wel mee strookte voelden zij als wel zo te zijn. Van deze aard is ook de staat van de hemelse engelen. De algemene beginselen van de Oudste Kerk waren hemelse en eeuwige waarheden, zo bijvoorbeeld, dat de Heer het heelal regeert; dat van de Heer al het goede en ware komt; en dat van de Heer al het leven komt; dat het eigene van de mens niet dan boos is en dat het in zichzelf dood is, en dergelijke dingen meer. Door de Heer ontvingen ze een innerlijke gewaarwording van ontelbare dingen, die deze waarheden bevestigden en daarmee samenstemden. Voor hen was de liefde de hoofdzaak van het geloof; door de liefde, werd hun van de Heer al wat tot het geloof behoort te voelen gegeven. Vandaar was, als eerder gezegd, het geloof voor hen liefde. Maar de Oude Kerk is een geheel andere geworden; hierover door de goddelijke barmhartigheid van de Heer in hetgeen volgt.

Hemelse Verborgenheden 607.

… De Oudste Kerk was, zoals eerder gezegd, hemels, maar de Kerk die Noach wordt genoemd, werd een geestelijke. De Oudste Kerk had een innerlijke gewaarwording van het goede en ware, maar de Oude Kerk, had de innerlijke gewaarwording niet, maar in plaats daarvan een bepaalde andere inspraak, die het geweten genoemd kan worden. Maar wat in de wereld nog onbekend is en wellicht ongelooflijk klinkt: de mens van de Oudste Kerk bezat een innerlijke ademhaling en geen uiterlijke dan een stille. Vandaar spraken zij niet zo door middel van woorden als later en heden ten dage, maar zoals de engelen door middel van voorstellingen. Zij konden die uitdrukken door ontelbare veranderingen van de gelaatstrekken, voornamelijk door de lippen, waarin zich ontelbare reeksen van heden ten dage niet ontwikkelde spiervezels bevinden. Daar deze toen los en lenig waren, konden zij daarmee voorstellingen wekken, aanduiden en uitbeelden, zodat wat nu een uur tijd zou eisen om het in gearticuleerde klanken of woorden uit te drukken, toen binnen een minuut kon plaatsvinden. Bovendien was dit veel helderder en vollediger voor het bevattingsvermogen en het verstand van de aanwezigen dan ooit mogelijk zou zijn met woorden en reeksen van samengestelde woorden. Hoe ongelooflijk dit misschien mag klinken, het is waar. Er zijn ook vele anderen die niet van deze aarde zijn die op een dergelijke wijze spraken en thans nog spreken; over hen, door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, in wat volgt. Van welke aard dit innerlijke ademen was en hoe dit in de loop van de tijd veranderd is, is mij eveneens te weten gegeven. Daar de mensen van de Oudste Kerk zo'n ademhaling hadden als de engelen, die ook zo ademen, waren zij in diepe denkvoorstellingen en konden ze een dusdanige innerlijke gewaarwording hebben als niet kan worden beschreven. Wanneer daarom beschreven zou worden hoe die was, zou het, daar het niet begrepen zou worden, ook niet geloofd worden. Maar bij hun nakomelingen ging deze innerlijke ademhaling allengs verloren en bij hen die zich aan afschuwelijke overredingen en fantasieën hadden overgegeven, werd zij van dien aard, dat zij geen denkvoorstellingen konden wekken dan alleen een hoogst wanstaltige. Dit leidde ertoe dat ze niet langer konden voortbestaan en vandaar allen vernietigd werden.

Hemelse Verborgenheden 694.

Zoals de hemel door de Heer, door middel van de wederkerige liefde, als het ware één mens en één ziel uitmaakt, en dus een enig doel beoogt, dat is allen tot in eeuwigheid te behouden en zalig te maken, evenzo maakt de hel door het eigen ik, door middel van de eigenliefde en van de liefde tot de wereld, dat wil zeggen, door de haat, één duivel en één gemoed uit en beoogt zo een enig doel, dat daarin bestaat, allen voor eeuwig te verderven en te verdoemen. Dat hun streven van dien aard is, heb ik duizenden en duizenden keren waargenomen, en indien daarom de Heer allen niet in elk ogenblik, ook in het kleinste ogenblik bewaarde, zo zouden zij te gronde gaan. Hemelse Verborgenheden 731. Dat door 'verdelgen van al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb, van de aangezichten van de aardbodem', (Genesis 7:4,23), het eigene van de mens wordt aangeduid, wat als het ware wordt verdelgd, wanneer hij levend wordt gemaakt, blijkt uit wat eerder over het eigene is gezegd. Het eigene van de mens is geheel en al boos en vals, zolang dit blijft is de mens dood, maar wanneer hij verzoekingen verduurt, wordt het verstrooid, dat wil zeggen, opgelost en gematigd door de Heer, door middel van waarheden en goedheden en zo levend gemaakt, en dan schijnt het alsof het niet aanwezig was. Dat het niet verschijnt en niet langer schaadt, wordt aangeduid door verdelgd worden, hoewel het geenszins verdelgd wordt, maar blijft. Het is hiermee ongeveer zo gesteld als met het zwart en het wit, wanneer deze met verscheidenheid door de lichtstralen in harmonische verhouding tot elkaar worden gebracht, veranderen ze in schone kleuren, zoals in blauw, geel, purper, waardoor al naar de verhouding, zoals bij de bloemen, zich schone en aangename werkingen voordoen, terwijl toch zwart en wit wezenlijk de grondslag blijven. Daar hier echter tevens gehandeld wordt over de laatste verwoesting van diegenen die van de Oudste Kerk waren, worden door de woorden 'verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb, van de aangezichten van de aardbodem', ook zij aangeduid, die te gronde gingen, zoals dan ook in het volgende 23ste vers, 'het bestaande dat Ik gemaakt heb', al datgene is of elk mens waarin zich hemels zaad bevond of die tot de Kerk behoorde, waarom dan ook in dit vers en in het volgende 23ste, aardbodem gezegd wordt en dit betekent de mens van de Kerk in wie het goede en het ware zijn gezaaid, dat geleidelijk bij hen, die Noach werden genoemd, opgroeide, nadat de boosheden en valsheden verdreven waren, maar dat bij de mensen voor de vloed, die te gronde gingen, door onkruid verstikt werd.

Hemelse Verborgenheden 745.

Dat door de vogel in het algemeen de gedachten worden aangeduid, blijkt uit wat eerder hier en daar van vogels is gezegd, namelijk dat ze de dingen van het verstand of van de rede betekenen, maar daar stond 'vogelen der hemelen', hier daarentegen staat alleen vogel, vandaar dat in het algemeen gedachten zijn aangeduid. Want er zijn tal van geslachten van vogels, zowel reine als onreine, die in het volgende, 14de vers worden onderscheiden in: vogels, het gevogelte en het gevleugelde. De reine zijn de gedachten van het ware, de onreine zijn valse gedachten, waarover in hetgeen volgt wordt gesproken door de goddelijke barmhartigheid van de Heer.

Hemelse Verborgenheden 776.

Dat door de vogel naar zijn aard al het geestelijk ware wordt aangeduid, door het gevogelte het natuurlijk ware, en door het gevleugelde het zinnelijk ware, blijkt uit hetgeen eerder omtrent vogels is gezegd en aangetoond, zoals in, zie: [40]. De Oudsten vergeleken de gedachten van de mens met vogels, omdat deze zich zo verhouden tot de dingen van de wil. Daar hier de vogel, het gevogelte en het gevleugelde zijn genoemd, en deze op elkaar volgen als in de mens de dingen van het verstand, van de rede en van de zinnen, zo mogen, opdat niemand twijfelt dat zij dit betekenen, nog enige plaatsen uit het Woord ter bevestiging worden aangevoerd, waaruit tevens blijkt, dat de dieren dergelijke dingen, zoals eerder is gezegd, betekenen. Bij David: 'Gij liet hem heersen over de werken van Uw handen, Gij hebt alles onder Zijn voeten gezet, de kudde van het kleine en het grote vee, alle die, en ook de beesten van de velden, het gevogelte der hemelen en de vissen der zee', (Psalm 8:7,8), waar van de Heer sprake is Wiens heerschappij over de mens en over datgene wat van de mens is, zo beschreven wordt. Wat zou anders de heerschappij over beesten en vogels voor zin hebben? Bij dezelfde: 'Vruchtbomen en alle cederbomen, het wilde dier, en alle beest, kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte zullen de naam van Jehovah verheerlijken', (Psalm 148: 9,10,13). De vruchtboom is de hemelse mens, de ceder is de geestelijke mens; het wilde dier, het beest, en het kruipend gedierte zijn hun goedheden, zoals hier: het gevleugeld gevogelte hun waarheden, waardoor zij de naam van Jehovah kunnen verheerlijken, wat het wilde dier, het beest, het kruipend gedierte geenszins vermag. In wereldse geschriften kunnen dergelijke dingen overdrachtelijk gezegd worden, maar in het Woord van de Heer komen geen stijlfiguren en voor, maar is alles aanduidend en uitbeeldend. 'Beven zullen voor Mij de vissen van de zee en de vogel der hemelen, en het wilde dier van het veld, en al het kruipende gedierte, dat op de aardbodem kruipt, en alle mens die op de aangezichten van de aardbodem is', (Ezechiël 38:20). Dat beesten en vogels hier dit betekenen, blijkt duidelijk, want wat voor heerlijkheid zou het Jehovah bereiden als de vissen, vogels en beesten zouden beven; of kan iemand geloven dat zulke wijzen van spreken heilig zouden zijn, wanneer deze niet heilige dingen in zich hielden? 'Ik zag, en ziet, er was geen mens, alle vogelen der hemel waren weggevlogen', (Jeremia 4:25), voor al het goede en ware; ook hier staat de mens voor het goede van de liefde. 'Zij zijn verwoest, zodat er geen man doorgaat, en men niet hoort de stem van het vee, van de vogel der hemelen aan tot het beest toe, zijn zij weggezworven doorgegaan', (Jeremia 9:10), desgelijks voor: al het ware en goede is verdwenen. 'Hoe lang zal het land treuren en het kruid van het ganse veld verdorrren, vanwege de boosheid van diegenen, die daarin wonen, zijn de beesten en de vogels vergaan, dewijl zij zeiden: Hij zal het laatste van ons niet zien', (Jeremia 12:4), alwaar de beesten voor de goedheden staan, en de vogel voor de waarheden die te gronde gingen. 'Ik zal wegrapen de vogel der hemelen, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen, en Ik zal de mens van de aangezichten van de aardbodem uitroeien', (Zefanja 1:3), alwaar mens en beest staan voor datgene wat tot de liefde behoort en vandaar tot het goede; de vogel der hemelen en de vissen der zee voor de dingen, die tot het verstand behoren en dus tot het ware, welke ergernissen worden genoemd, want goedheden en waarheden zijn ergernissen voor de goddelozen, maar niet de beesten en de vogels. Dat het dingen betreft die tot de mens behoren, wordt ook uitdrukkelijk gezegd, zoals bij David: 'De bomen van Jehovah worden verzadigd en de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft, alwaar het gevogelte nestelt', (Psalm 104:16, 17); bomen van Jehovah en cederbomen van Libanon voor de geestelijke mens, het gevogelte voor zijn redelijke of natuurlijke waarheden, die als het ware nesten zijn. Overigens was het een algemene spreekwijze, dat de vogels op de takken nestelden, waarmee waarheden werden aangeduid, zoals bij Ezechiël: 'Op de berg der hoogte van Israël zal Ik hem planten, en hij zal takken voortbrengen en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijke ceder worden, en onder hem zal wonen alle gevogelte van allerlei vleugel, in de schaduw van zijn takken zullen zij wonen', (Ezechiël 17:23); voor de Kerk van de heidenen die geestelijk is; zij is de heerlijke ceder; gevogelte van allerlei vleugel, voor waarheden van allerlei aard. Bij dezelfde: 'Alle vogel der hemelen nestelde in zijn takken, en alle wilde dieren des velds teelden onder zijn takken, en alle grote natiën woonden onder zijn schaduw', (Ezechiël 31:6), over Aschur, die de geestelijke Kerk is en ceder wordt genoemd; vogel der hemelen voor de waarheden van die Kerk, en beest voor de goedheden. 'Zijn tak was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan dezelve voor allen, onder hem vond het beest des velds schaduw en het gevogelte des hemels woonde in zijn takken', (Daniël 4:12, 21), alwaar het beest voor de goedheden staat, het gevogelte der hemelen voor de waarheden, wat eenieder kan inzien, want wat zou het anders voor zin hebben, dat daar de vogel en het beest woonden? Desgelijks hetgeen de Heer sprak: 'Het koninkrijk Gods is gelijk aan een mosterdzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft, en het wies op, en werd tot een grote booom, zodat de vogels des hemels woonden in zijn takken', (Lukas 13:19; Matthéüs 13:31,32; Markus 4:31,32).

Hemelse Verborgenheden 778.

Daar nu de vogels des hemels de verstandelijke waarheden betekenen en dus de gedachten, betekenen deze ook het tegendeel, zoals fantasieën of valsheden, die, omdat die tot het denken van de mens behoren, ook vogels worden genoemd, bijvoorbeeld dat de goddelozen de vogels des hemels en de wilde dieren tot spijs zouden gegeven worden, voor fantasieën en begeerten, (Jesaja 18:6; Jeremia 7:33; 16:4; 19:7; 34:20; Ezechiël 29:5; 39:4). De Heer Zelf vergelijkt ook de fantasieën en overredingen van het valse bij vogels, waar Hij zegt: 'Het zaad, dat op de harde weg viel, werd vertreden en de vogelen des hemels aten dat op', (Matthéüs 13:4; Lukas 8:5; Markus 4:4,15), alwaar de vogelen des hemels niets anders zijn dan valsheden.

Hemelse Verborgenheden 784.

'Jehovah sloot achter hem toe', (Genesis 7:16). Dit betekent dat de mens niet langer omgang zou hebben met de hemel, zoals de mens van de hemelse Kerk had. Het is hiermee als volgt gesteld: de staat van de Oudste Kerk was van dien aard dat die innerlijke gemeenschap had met de hemel, dus door de hemel met de Heer. Men was in de liefde tot de Heer en zij die in de liefde tot de Heer zijn, zijn als engelen, slechts met dit onderscheid, dat ze met een lichaam bekleed zijn; hun innerlijk was geopend en stond open tot aan de Heer. Anders was het daarentegen gesteld met deze nieuwe Kerk - de Kerk die Noach wordt genoemd. Deze bevond zich niet in de liefde tot de Heer, maar in het geloof, en door het geloof in de liefde tot de naaste. Zij konden niet, zoals de Oudsten, een innerlijke band hebben, maar een uiterlijke. Doch het zou te ver voeren om te zeggen van welke aard deze twee soorten van communicatie waren. Ieder mens, ook de goddeloze, is verbonden met de engelen bij hem, maar met een verschil in gradatie: dichterbij of verderaf, anders zou de mens niet kunnen bestaan. De graden van deze communicatie zijn onbegrensd in aantal. Een geestelijk mens kan geenszins zo'n communicatie hebben als een hemels mens, omdat de Heer in de liefde is en niet zozeer in het geloof. Dit nu is het, wat wordt aangeduid met de woorden: 'Jehovah sloot achter hem toe'. Na deze tijden was de hemel ook nooit meer geopend, zoals voor de mens van de Oudste Kerk; weliswaar spraken later sommigen met geesten en engelen zoals Mozes, Aäron en anderen, maar op een geheel andere wijze, waarover, door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, in hetgeen volgt. De reden waarom de hemel is gesloten, is een allerdiepste verborgenheid en ook dat de hemel heden ten dage dermate gesloten is, dat de mens zelfs niet eens weet, dat er geesten, en nog minder, dat er engelen bij hem zijn. Hij gelooft geheel alleen te zijn, wanneer hij in de wereld niet in gezelschap is en met zijn eigen gedachten bezig is. Niettemin is hij steeds in het gezelschap van geesten, die waarnemen en gewaarworden wat de mens denkt, beoogt en beraamt, even goed en duidelijk, alsof dit gebeurde in tegenwoordigheid van alle mensen in de hele wereld. Dit weet de mens in het geheel niet en dus is de hemel voor hem gesloten, niettemin is het de volste waarheid. De reden hiervan is deze: wanneer de hemel bij hem niet zo gesloten zou zijn, zou het, daar hij in geen geloof is, nog minder in de waarheden van het geloof, en nog veel minder in de naastenliefde, hoogst gevaarlijk voor hem zijn. Dit is ook daarmee aangeduid: 'Dat Jehovah God de mens wegzond en Cherubim wonen deed aan de opgang van de hof van Eden, en de vlam van het zich wendende zwaard, om te bewaren de weg van de boom des levens', (Genesis 3:24), [301-2-3].

Hemelse Verborgenheden 866.

Dat de raaf valsheden betekent, kan in het algemeen blijken uit hetgeen eerder over vogels is gezegd en aangetoond, namelijk dat ze de dingen van het verstand, van de rede en van de wetenschap betekenen en ook het tegendeel daarvan: de redeneringen en de valsheden. Beide worden in het Woord beschreven door verschillende soorten van vogels: de verstandelijke waarheden door zachtaardige, mooie en reine vogels; de valsheden echter door boosaardige, lelijke en onreine vogels, en dit naar gelang de aard van het ware en het valse. Grove en dichte valsheden door nachtuilen en raven; door nachtuilen, omdat die in de duisternis van de nacht leven, en door raven omdat die zwart van kleur zijn; zoals bij Jesaja: 'De nachtuil en de raaf zullen in haar wonen', (Jesaja 34:11). Hier wordt gehandeld over de Joodse Kerk, namelijk, dat daarin niets dan valsheden zijn, die ook beschreven zijn door de nachtuil en de raaf.

Hemelse Verborgenheden 874.

'En de duif vond geen rust voor het hol van haar voet, en zij keerde weder tot hem in de ark, want de wateren waren op de aangezichten van de ganse aarde; en hij stak zijn hand uit en hij nam haar, en bracht haar tot zich in de ark', (Genesis 8:9); hier wordt de eerste staat beschreven van de wedergeboorte van de mens van die Kerk na de verzoeking, die allen die wedergeboren worden, gemeen hebben, namelijk dat zij geloven uit zichzelf het goede te doen en het ware te denken, en daar zij nog in de grootste duisternis verkeren, laat de Heer hen dan ook in deze waan, niettemin is al het goede dat zij doen en al het ware dat zij denken, wanneer zij in die mening verkeren, die vals is, niet het goede en ware van het geloof. Al wat de mens uit zichzelf voortbrengt kan het goede niet zijn, want het komt uit hemzelf, en dit zelf is een onreine en hoogst onzuivere bron. Uit een onreine en onzuivere bron kan nooit iets goeds voortkomen, want hij denkt steeds aan eigen verdienste en aan eigen rechtvaardigheid. Sommigen gaan zelfs nog verder en verachten anderen bij zichzelf vergeleken, zoals de Heer leert in: (Lukas 18:9 tot 14); anderen doen weer anders. De eigen begeerten voegen zich er aan toe, zodat het van buiten een schijn van het goede heeft, maar toch is het vuil van binnen. Daarom is het goede dat de mens in deze staat doet, niet het goede van het geloof. Dit is ook zo gesteld met het ware dat hij denkt; zelfs wanneer datgene wat hij denkt ook de volste waarheid was, dan is het toch, zolang het uit zijn eigen ik komt, op zichzelf weliswaar het ware van het geloof, maar het goede van het geloof is er niet in. Al het ware moet, om het ware van het geloof te zijn, het goede van het geloof van de Heer in zich hebben; eerst dan wordt het goed en waar.

Hemelse Verborgenheden 876.

Dat de woorden 'zij keerde weder tot hem in de ark', (Genesis 8:9), betekenen, dat het goede en ware verschenen alsof die het tot het geloof behoorden, blijkt uit wat is gezegd en uit wat volgt. Wederkeren tot de ark betekent in de innerlijke zin niet bevrijding, maar de bevrijding is aangeduid door het losgelaten worden van de duif uit de ark en het niet weerkeren, zoals blijkt uit wat volgt, als in vers 12, waar gezegd wordt dat hij de duif heeft uitgelaten en zij niet meer voortvoer met tot hem weder te keren, en ook uit vers 15 en 16, dat hem geboden is uit de ark te gaan, en uit vers 18, dat hij is uitgegaan. De ark betekent zijn staat voor de wedergeboorte; toen hij daarin was, was hij in gevangenschap of in de gevangenis, van alle kanten belaagd door boosheden en valsheden, of door de wateren van de vloed. Dat zij wederkeerde tot hem in de ark, betekent daarom, dat het goede en ware, wat onder de duif wordt verstaan, weer tot hem terugkeerde. Al het goede, welk dan ook, dat de mens uit zichzelf meent te doen, keert tot hem zelf weer, want het heeft op hemzelf betrekking, of hij doet het opdat het voor de wereld uitkomt, of voor de engelen, of opdat hij de hemel verdient, of opdat hij de grootste in de hemel wordt. Dergelijke oogmerken bevinden zich in het eigen ik en in elke gedachte daarvan, hoewel het naar de uiterlijke vorm als het goede en ware van het geloof verschijnt. Het goede en ware van het geloof is innerlijk goed en waar, van het binnenste uit, dat wil zeggen, van de Heer uit door middel van het binnenste van de mens, vloeit al het goede en ware van het geloof in. Wanneer het daarentegen uit het eigene of uit de gedachte aan verdienste voortvloeit, zijn de innerlijke dingen vuil en verschijnen de uiterlijke dingen rein, geheel als een walgelijke hoer, met schoon schijnend gezicht, of als een Ethiopiër of veeleer als een mummie in een wit kleed gehuld.

Hemelse Verborgenheden 895.

… Aarde betekent hier de wil van de mens, welke niets dan begeerte is. Zijn aardbodem, als eerder gezegd, is in het verstandelijke deel van de mens, waarin waarheden worden gezaaid, geenszins in het deel van de wil, dat van het verstandelijke in de geestelijke mens gescheiden is. … Bij de mensen van de Oudste Kerk was de aardbodem in het deel van zijn wil, waarin de Heer goedheden had gezaaid, vandaar dat hij uit de goedheden het ware kon weten en gewaarworden, of uit de liefde geloof hebben. Zou ditzelfde nu gebeuren, dan moest de mens wel noodwendig voor eeuwig te gronde gaan, want zijn wil is gans en al verdorven. Hoe het met de inzaaiing in het deel van de wil en in het verstandelijke deel van de mens gesteld is, kan hieruit blijken, dat de mens van de Oudste Kerk openbaringen had, door middel waarvan hij in de gewaarwording van de goedheden en waarheden van kindsbeen af werd ingewijd. Daar het echter in het deel van zijn wil werd gezaaid, werd hij zonder nieuwe onderwijzing talloze dingen gewaar, zodat hij uit één algemeenheid door de Heer alle afzonderlijke dingen en bijzonderheden kende, die men thans moet aanleren en zo te weten komen, en toch kan men nauwelijks het duizendste deel daarvan weten; want de mens van de geestelijke Kerk weet niets dan wat hij leert en wat hij op deze manier weet, onthoudt hij en gelooft dat het waar is; zelfs wanneer hij het valse leert en dit wordt hem ingeprent alsof het waar was, dan gelooft hij het ook, daar hij geen andere gewaarwording heeft dan dat het zo is, omdat hij zo overreed is. Zij die een geweten hebben, hebben uit dit geweten een zekere inspraak, maar geen andere dan dat iets waar is, omdat ze het zo gehoord en geleerd hebben. Dit vormt hun geweten, wat men aan hen kan zien, die een geweten van het valse hebben.

Hemelse Verborgenheden 920.

'En Noach bouwde Jehovah een altaar en hij nam van alle reine beest, en van alle reine vogel, en hij offerde brandoffers op het altaar', (Exodus 20). In dit vers wordt de godsdienst van de Oude Kerk in het algemeen beschreven, en wel door het altaar en het brandoffer, welke de hoofdbestanddelen van elke uitbeeldende godsdienst waren. Maar hier moet eerst gezegd worden, van welke aard de godsdienst van de Oude Kerk was, en hoe van daaruit de dienst van de Heer door uitbeeldingen is ontstaan. De mens van de Oudste Kerk had geen andere godsdienst dan een innerlijke, zoals deze in de hemel is, want bij hen had de hemel gemeenschap met de mens, zodat zij één uitmaakten. Deze gemeenschap was de innerlijke gewaarwording, waarover eerder herhaaldelijk is gesproken. Daar zij zo innerlijke mensen en aan de engelen gelijk waren, voelden ze weliswaar de uiterlijke dingen die tot het lichaam en tot de wereld behoorden, maar ze gaven er geen aandacht aan. In elk object van de zinnen werden zij iets goddelijks en hemels gewaar. Zo bijvoorbeeld, als zij een hoge berg zagen, werden ze niet de voorstelling van een berg gewaar, maar van de hoogte, en door de hoogte de hemel, en de Heer. Vandaar kwam het dat van de Heer gezegd werd, dat Hij in het allerhoogste woont en dat Hijzelf de Allerhoogste en de Verhevenste werd genoemd, en later de dienst van de Heer op bergen werd gehouden. Desgelijks in alle overige dingen; zo werden zij wanneer ze de morgen bemerkten, eigenlijk niet de morgen van de dag gewaar, maar het hemelse, dat zoals de morgen en de dageraad is in het gemoed; vandaar werd de Heer Morgen, Opgang en Dageraad genoemd. Zo ook gaven ze als ze een boom en diens vrucht en bladeren zagen, geen aandacht aan de boom, maar zagen als het ware de mens daarin uitgebeeld; in de vrucht de liefde en de naastenliefde, in de bladeren het geloof. Vandaar dan ook werd de mens van de Kerk niet alleen vergeleken met een boom, maar ook met het paradijs en wat bij hem is, met de vrucht en de bladeren, maar ook zo genoemd. Van zo'n aard zijn zij die in voorstellingen zijn van de hemel en de engelen. Eenieder kan het bekend zijn, dat een algemene voorstelling alle bijzonderheden bevat, dus alle objecten van de zinnen, zowel die, welke men ziet, als die, welke men hoort, en wel zo, dat men aan de objecten geen aandacht schenkt dan voor zover ze in de algemene voorstelling die men heeft, invloeien. Zo verschijnt aan hem van wie het gemoed verheugd is, alles wat hij hoort en ziet als blij en lachend; maar aan hem van wie het gemoed bedroefd is, verschijnt alles wat hij ziet en hoort, als droevig en smartelijk. Dit geldt voor alle andere dingen, want de algemene aandoening is in alle bijzondere aandoeningen en maakt dat men de dingen elk afzonderlijk in de algemene aandoening ziet en hoort. Het overige verschijnt zelfs niet eens, maar het is alsof het afwezig of van geen betekenis was. Zo was het gesteld met de mens van de Oudste Kerk. Alles wat hij met de ogen zag was hemels voor hem en zo leefde als het ware alles en elke bijzonderheid bij hem. Hieruit kan blijken van welke aard zijn godsdienst was, namelijk dat deze een innerlijke was en allerminst een uiterlijke. Toen echter de Kerk ter kimme neigde, zoals bij de nakomelingen, en deze innerlijke gewaarwording of de gemeenschap met de hemel begon te gronde te gaan, werd het hiermee anders gesteld. Zij werden bij de objecten van de zintuigen niet meer het hemelse gewaar, zoals eertijds, maar het wereldse en zoveel te meer naarmate ze minder innerlijke gewaarwording over hadden. Tenslotte, in het laatste nageslacht, dat vlak voor de vloed bestond, vatten zij in de objecten niets anders dan het wereldse, lichamelijke en aardse. Zo werd de hemel van de mens gescheiden en onderhield geen verbinding met hem dan een ver verwijderde. Toen kreeg de mens verbinding met de hel, en daarvandaan de algemene voorstelling, waaruit zoals gezegd, de voorstellingen van alle bijzonderheden bestaan. Als toen een hemelse voorstelling zich voordeed, hechtten ze daaraan geen waarde, totdat ze tenslotte niet eens meer wilden erkennen, dat er iets geestelijks en hemels bestond. Zo werd de staat van de mens veranderd en verdraaid. Daar het door de Heer was voorzien dat de staat van de mens zo zou worden, werd er ook in voorzien dat zij de leerstellingen van het geloof zouden bewaren opdat ze daaruit zouden weten, wat het hemelse en wat het geestelijke is. De leerstellingen die afkomstig waren van de mens van de Oudste Kerk, werden verzameld door hen die Kaïn en die Chanoch heetten en over wie eerder gehandeld is. Daarom werd van Kaïn gezegd, dat aan hem een teken was gesteld opdat niemand hem doden zou; en van Chanoch dat hij door God was weggenomen, zie: (Genesis 4:15; 5:24; 393, 394). Deze leerstellingen bestonden alleen in aanduidingen, en zo als het ware in raadsels, namelijk wat de dingen die op aarde zijn betekenen, bijvoorbeeld wat de bergen betekenen, namelijk de hemelse dingen en de Heer; wat de morgen en de opgang, namelijk eveneens de hemelse dingen en de Heer; wat de verschillende soorten bomen en hun vruchten betekenen, namelijk de mens en zijn hemelse dingen, en zo dus wat al de andere dingen betekenden. In dergelijke dingen bestonden hun leerstellingen, die verzameld waren uit de aanduidingen van de Oudste Kerk, daarvandaan waren ook hun geschriften van dien aard en daar zij in dergelijke dingen het Goddelijke en hemelse bewonderden en geloofden te zien, omdat zij daarin ook het oude bewonderden, begon hun godsdienst met dergelijke dingen en werd hun toegestaan. Vandaar hun godsdienst op bergen en in wouden te midden van de bomen, vandaar hun beelden in de open lucht, en tenslotte de altaren en de brandoffers die later de hoofdbestanddelen van alle godsdienst werden. Deze godsdienst begon met de Oude Kerk en verbreidde zich van daar over het nageslacht en over alle naburige volken, behalve nog tal van andere dingen meer, waarover, door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, in hetgeen volgt.

Hemelse Verborgenheden 934.

Uit de volgende plaatsen in het Woord kan blijken dat koude, afwezigheid is van liefde of van naastenliefde en van geloof, en hitte of vuur, de liefde of de naastenliefde betekent. Bij Johannes tot de Kerk van Laodicea: 'Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt noch heet; och, of gij koud waart, of heet. Zo dan omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen', (Openbaring 3:15, 16). Hier staat koude voor geen naastenliefde, en hitte voor veel naastenliefde. Bij Jesaja: 'Alzo heeft Jehovah gezegd: Ik zal rusten en toeschouwen in Mijn plaats, als een klare hitte boven het licht, als een wolk des dauws in de hitte van de oogst', (Jesaja 18:4). Hier is sprake van de te planten nieuwe Kerk; hitte boven het licht en hitte van de oogst, voor liefde en naastenliefde. Bij dezelfde: 'Jehovah heeft in Zion een vuur, en in Jeruzalem een oven', (Jesaja 31:9); vuur staat hier voor liefde. Aangaande de Cherubim die door Ezechiël werden gezien: 'De gelijkenis van de dieren, hun gedaante was als brandende kolen van het vuur, als de gedaante van de fakkels; datzelve vuur ging steeds tussen de dieren, en een glans van vuur, en uit het vuur kwam een bliksem voort', (Ezechiël 1:13). Bij dezelfde over de Heer: 'Boven het uitspansel, wat boven het hoofd van de Cherubim was, was als de gedaante van een saffiersteen, de gelijkenis van een troon; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante van een mens, daarboven op zijnde; en ik zag als de schijn van een vurige kool, als de schijn van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante van zijn lenden en opwaarts, en van de gedaante van zijn lenden en neerwaarts, zag ik als de gedaante van vuur, welks glans aan hem rondom', (Ezechiël 1:26, 27; 8:2); hier staat vuur voor liefde. Bij Daniël: ' De Oude van dagen zette zich, Zijn troon was vuurvlammen, deszelfs raderen brandend vuur, een rivier van vuur vloeide en ging van voor Hem uit; duizendmaal duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Hem', (Daniël 7:9, 10); vuur voor de liefde van de Heer. Bij Zacharia: 'Ik zal haar wezen, zegt Jehovah, een muur van vuur rondom', (Zacharia 2:5), alwaar sprake is van het Nieuwe Jeruzalem. Bij David: 'Jehovah maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur', (Psalm 194:4); vlammend vuur voor het hemels-geestelijke. Daar het vuur de liefde betekende, werd het vuur ook een uitbeelding van de Heer, wat blijkt uit het vuur op het altaar van het brandoffer, dat nooit uitgeblust mocht worden, (Leviticus 6:8, 12, 13), het beeldde de barmhartigheid van de Heer uit. Daarom moest Aharon, eer hij tot het verzoendeksel inging, vuur van het altaar van het brandoffer tot het wierookvat nemen, (Leviticus 16: 12, 13, 14). Daarom ook kwam, als teken dat de verering door de Heer was aangenomen, het vuur van de hemel neer, en verteerde de brandoffers, (Leviticus 9:24), en elders. Door het vuur wordt in het Woord ook de eigenliefde en de begeerte ervan aangeduid, waarmee de hemelse liefde niet kan samenstemmen, vandaar ook dat de twee zonen van Aharon door vuur verteerd werden, omdat zij een vreemd vuur ontstoken hadden, (Leviticus 10:1, 2); vreemd vuur is alle eigenliefde en liefde tot de wereld, en alle begeerte van deze liefde. Bovendien verschijnt ook de hemelse liefde aan de goddelozen niet anders dan als een brandend en verterend vuur, en daarom wordt de Heer in het Woord een verterend vuur toegeschreven, zoals het vuur op de berg Sinaï, dat de Liefde of de Barmhartigheid van de Heer uitbeeldde en dat door het volk werd waargenomen als een verterend vuur. Daarom zeiden ze tot Mozes, 'hun niet de stem van Jehovah te laten horen noch het grote vuur te laten zien, opdat zij niet sterven zouden', (Deuteronomium 18:16). De Liefde of de Barmhartigheid van de Heer verschijnt zo voor hen, die in het vuur van de eigenliefde en van de liefde tot de wereld zijn.

Hemelse Verborgenheden 942.

Niet ver van het vuile Jeruzalem is ook nog een andere stad, die 'het Oordeel van de Gehenna'wordt genoemd. Daar zijn zij die uit eigen gerechtigheid de hemel voor zich opeisen en die allen verdoemen die niet naar hun fantasieën leven. Tussen deze stad en de gehenna verschijnt zoiets als een brug, niet onaardig, maar met een bleke of grijze kleur, waarop zich een zwarte geest bevindt, die zij duchten en die hen belet er over heen te gaan, want aan de andere zijde van de brug verschijnt de gehenna. Hemelse Verborgenheden 965. De helse martelingen is niet, zoals sommigen geloven, het knagen van het geweten, want zij die in de hel zijn, hadden geen geweten, waarom ze dan ook niet naar het geweten gefolterd kunnen worden. Zij, die een geweten hadden, bevinden zich onder de gelukzaligen.

Hemelse Verborgenheden 987.

Dat 'over alle beest der aarde', (Genesis 9:2) betekent, over de begeerten die tot het gemoed behoren, blijkt uit de betekenis van het beest in het Woord, waarin door beesten neigingen of begeerten worden aangeduid; neigingen tot het goede door zachtaardige, nuttige, reine beesten; neigingen tot het boze of begeerten door wreedaardige, onnuttige, onreine beesten, (45,46,142,143,246,776). Daar zij hier begeerten betekenen, worden ze beesten der aarde genoemd, niet beesten des velds. Wat de heerschappij van de wedergeboren mens over de begeerten betreft, moet men weten, dat zij die geloven uit zichzelf te kunnen heersen over de boosheden, in de grootste dwaling verkeren en geenszins wedergeboren zijn. De mens is immers niets dan het boze, een samenraapsel van boosheden; heel zijn wil is louter boosheid, dit is het, wat gezegd is in het 8ste hoofdstuk, vers 21 : ' Het gedichtsel van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan'. Het werd mij op aanschouwelijke wijze aangetoond, dat de mens en de geest, ja zelfs de engel, op zichzelf beschouwd, dat wil zeggen, in al het eigene van hem, de verachtelijkste drek is en dat hij aan zichzelf overgelaten, op niets anders dan haat, wraak, wreedheden en de schandelijkste echtbreuk zint. Dit is zijn eigen ik en dit is zijn wil, wat ook eenieder die nadenkt, hieruit alleen al kan opmaken, dat de mens, wanneer hij geboren wordt het minste wezen is onder alle wilde dieren en beesten, en wanneer hij opgroeit en mondig wordt, hij zich, indien niet de uiterlijke banden, namelijk die van de wet en de banden die hij zichzelf aanlegt om de machtigste en de rijkste te worden, het verhinderen, in alle misdaden zou storten, en niet eeder rusten voordat hij allen in het heeal had onderdrukt en de rijkdommen van allen in het heelal had bijengeschraapt, en dat hij niemand sparen zou dan die zich als lage slaven aan hem onderwierpen. Van dien aard is ieder mens, hoewel zij, die zich in de onmogelijkheid en de onmacht, en in eerder genoemde banden bevinden, dit niet gewaar worden. Werd echter de mogelijkheid gegeven en de macht gegeven en werden de banden losgemaakt, dan zouden ze zover voortrennen als ze maar konden. Zo gedragen zich de wilde dieren nooit, deze worden in een bepaalde orde van de natuur geboren. Die wreedaardig en roofzuchtig zijn, doen andere dieren kwaad, maar alleen uit zelfbehoud, en wanneer zij andere dieren verslinden, is het om hun honger te stillen; is deze eenmaal gestild doen zij geen schepsel kwaad. Geheel anders is het echter met de mens. Hieruit blijkt wel, wat het eigene van de mens is en wat zijn wil. Daar de mens boosheid en drek is van zulk een aard en in die grote mate, volgt vanzelf, dat hij nooit uit zichzelf over het boze kan heersen. Het is met zichzelf geheel en al in tegenspraak dat het boze over het boze zou kunnen heersen, en niet alleen over het boze, maar ook over de hel, want ieder mens staat door boze geesten in gemeenschap met de hel en van de hel uit wordt het boze dat bij hem is, opgewekt. Hieruit kan eenieder weten, en wie een gezond oordeel heeft, opmaken, dat het de Heer alleen is, die heerst over het boze bij de mens. Om het boze bij de mens te kunnen onderdrukken, dat wil zeggen, de hel, die er elk ogenblik naar streeft op de mens los te stormen en hem voor eeuwig te verderven, wordt de mens door de Heer wedergeboren en met een nieuwe wil begiftigd. Dit is het geweten, door middel waarvan de Heer alleen al het goede werkt. Dit is een zaak van het geloof, namelijk dat de mens niets dan boosheid is en dat al het goede van de Heer komt. Daarom moet de mens deze dingen niet alleen weten, maar ook erkennen en geloven. Zo hij dit in het leven van het lichaam niet erkent en gelooft, wordt het hem in het andere leven aan de lijve aangetoond.

Hemelse Verborgenheden 988.

Dat 'over alle vogel des hemels' betekent: valsheden, die uit de redenering voortkomen, blijkt uit de betekenis van de vogel. In het Woord betekenen vogels de dingen van het verstand. De zachtaardige, nuttige en schone betekenen de ware dingen van het verstand; daarentegen de wrede, onnuttige en lelijke, de valse dingen van het verstand, of de valsheden die uit de redenering voortkomen. Dat die de dingen van het verstand aanduiden, zie: (40, 776, 870); hieruit blijkt ook dat de vogels de redeneringen en haar valsheden betekenen. Opdat niemand hierover in twijfel is, mogen behalve hetgeen eerder, [866] over de raaf gezegd is, nog de volgende plaatsen ter bevestiging dienen; bij Jeremia: 'Ik zal bezoeking over hen doen op vierderlei wijze; met het zwaard om te doden, en met de honden om weg te sleuren, en met de vogel des hemels, en met het beest van de aarde, om te verslinden en te verderven', (Jeremia 15:3). Bij Ezechiël: 'Alle vogels des hemels zal wonen op zijn omgevallen stam, en alle wilde dieren van het veld zullen onder zijn twijgen zijn', (Ezechiël 31:13). 'Eindelijk over de vogel der gruwelen, de verwoesting', (Daniël 9:27); bij Johannes: 'Babylon, een bewaarplaats van alle onreine en hatelijke vogel', (Openbaring 18:2). Herhaaldelijk staat het bij de profeten, dat het dode lichaam tot spijs gegeven zou worden aan de vogel des hemels en aan het beest van de aarde', (Jeremia 7:33, 19:7, 34:20; Ezechiël 29:5, 39:4; Psalm 79:2; Jesaja 18:6); waarmee wordt aangeduid, dat zij te gronde gericht zullen worden door valsheden, die de vogels des hemels zijn, en door boosheden of begeerten, die de beesten van de aarde zijn.

Hemelse Verborgenheden 993.

'Al het kruipend gedierte, dat levend is, zij u tot spijze, gelijk het graskruid, Ik heb het u al gegeven'. Al het kruipende gedierte, dat levend is, betekent alle verlustigingen waarin het goede is, dat levend is. Zij u tot spijze, betekent het aangename daarvan, dat zij genieten zouden; het graskruid betekent de grovere genietingen; het zij u al gegeven, betekent het genoegen ter wille van het nut. Hemelse Verborgenheden 1047. Dat de woorden 'en het zal geschieden, als Ik Mij met een wolk omwolk over de aarde', (Genesis 9:14); betekenen, wanneer vanwege het eigene van de wil van de mens het geloof van de naastenliefde niet verschijnt, blijkt uit hetgeen even tevoren is gezegd over de aarde of het eigene van de wil van de mens; namelijk dat dit eigene van dien aard is, dat het voortdurend in het verstandsdeel van de mens het duistere of het valse giet, wat een omwolking is; alle valsheid komt hieruit voort. Dit kan duidelijk genoeg hieruit blijken, dat de eigenliefde en de liefde tot de wereld, die tot de wil van de mens behoren, niets dan haat zijn, want voor zoveel iemand zichzelf liefheeft, haat hij de naaste. Daar deze liefden zo geheel tegen de hemelse liefde indruisen, kan het niet anders of daaruit vloeien voortdurend dingen in, die met de wederkerige liefde in strijd zijn. Dit alles wordt in het verstandsdeel tot valsheden, vandaar al het donkere en duistere van dit deel. Het valse omwolkt het ware, geheel zoals een donkere wolk het licht van de zon, en daar het valse en het ware niet samen kunnen zijn, evenmin als de duisternis en het licht, volgt hier duidelijk uit, dat het ene heengaat wanneer het andere komt. Daar dit beurtelings plaatsvindt, wordt hier gezegd: 'wanneer de aarde met een wolk omwolkt wordt', dat wil zeggen, wanneer vanwege het eigene van de wil het geloof van de naastenliefde niet verschijnt, of het ware en het goede daaruit, nog minder het goede en het ware daaruit.

Hemelse Verborgenheden 1053.

Dat de woorden 'en de boog zal in de wolk zijn', de staat van die persoon betekent, blijkt uit wat eerder over de boog in de wolk is gezegd en aangetoond, namelijk dat de mens of de ziel in het andere leven aan zijn sfeer bij de engelen wordt gekend, en dat die sfeer, zo vaak als het de Heer behaagt, wordt uitgebeeld door kleuren, gelijk aan die van de regenboog, verschillend al naar de staat van eenieder met betrekking tot het geloof in de Heer, dus met betrekking tot de goedheden en waarheden van het geloof. In het andere leven doen zich aan het oog kleuren voor die aan gloed en glans de kleurenschoonheid die zich op aarde aan de blik vertoond, onmetelijk overtreffen. Elke kleur beeldt iets hemels en iets geestelijks uit; deze kleuren komen voort uit het licht dat in de hemel is en uit de schakering van het geestelijk licht, zoals eerder is gezegd. De engelen leven in zo'n groot licht dat het licht van de wereld daarbij vergeleken niets is. Het licht van de hemel waarin de engelen leven, verhoudt zich tot het licht van de wereld, als het licht van de middagzon tot het schijnsel van een kaars, dat verdwijnt en in het niet zinkt, wanneer de zon opkomt. Er is in de hemel een hemels licht en een geestelijk licht; het hemelse licht is, om een vergelijking te maken, als het licht van de zon, en het geestelijk licht als het licht van de maan, maar met alle onderscheid al naar de staat van de engel die het licht ontvangt. Zo is het ook met de kleuren gesteld, omdat die uit het licht voortkomen. De Heer Zelf is voor de hemel van de hemelse engelen de Zon, en voor de hemel van de geestelijke engelen de Maan. Dit alles klinkt ongelooflijk voor hen die geen begrip hebben van het leven, dat de zielen na de dood leven, maar het is toch de volste waarheid.

Hemelse Verborgenheden 1053.

'En de boog zal in de wolk zijn, en Ik zie hem, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel in alle vlees, dat op de aarde is', (Exodus 14,15). De boog zal in de wolk zijn, betekent dat de mens of de ziel in het andere leven aan zijn sfeer bij de engelen gekend wordt. Die sfeer, wordt, zo vaak als het de Heer behaagt, uitgebeeld door kleuren, zoals die van de regenboog, verschillend al naar de staat van eenieder, met betrekking tot het geloof in de Heer, dus met betrekking tot de goedheden en waarheden van het geloof. In het andere leven verschijnen kleuren aan het oog, die aan gloed en glans de kleurenschoonheid die zich op aarde vertoont, onmetelijk overtreffen. Elke kleur beeldt iets hemels en iets geestelijks uit; deze kleuren komen voort uit het licht dat in de hemel is en uit de schakering van het geestelijk licht. De engelen wonen immers in zo'n groot licht, dat het licht van de wereld daarbij vergeleken niets is. Het licht van de hemel waarin de engelen leven, verhoudt zich tot het licht van de wereld, als het licht van de middagzon tot het schijnsel van een kaars. Dit schijnsel verdwijnt en zinkt in het niet, wanneer de zon opkomt. Er is in de hemel een hemels licht en een geestelijk licht; het hemelse licht is, om een vergelijking te maken, zoals het licht van de zon en het geestelijke licht zoals het licht van de maan, maar met alle onderscheid al naar de staat van de engel die het licht ontvangt. Zo is het ook met de kleuren gesteld, daar zij uit het licht voortkomen. De Heer Zelf is voor de hemel van de hemelse engelen de Zon, en voor de hemel van de geestelijke engelen de Maan. Dit alles klinkt ongelooflijk voor hen die geen begrip hebben van het leven dat de zielen na de dood leven; toch is het de volste waarheid.

Hemelse Verborgenheden 1110.

Zij die in goede werken gerechtigheid en verdienste hebben gesteld en zo de werkende kracht van de zaligmaking aan zichzelf hebben toegeschreven, en niet aan de Heer en aan Zijn gerechtigheid en verdienste, en zich hierin met denken en leven hebben bevestigd, van hen worden hun valse beginselen in het andere leven in fantasieën veranderd. Het schijnt hun toe alsof zij hout hakken en het komt hun ook geheel zo voor. Ik heb met hen gesproken; wanneer zij aan hun arbeid zijn en als men aan hen vraagt of ze daar niet moe van worden, dan antwoorden zij, dat ze nog niet genoeg arbeid hebben verricht om de hemel te kunnen verdienen. Er verschijnt wanneer zij houthakken, als het ware iets van de Heer onder het hout, alsof het hout de verdienste was. Hoe meer er van de Heer in het hout verschijnt, des te langer blijven zij van dien aard, maar als het begint te verdwijnen, dan begint het einde van de verwoesting te naderen. Tenslotte worden ze van zo'n aard, dat zij ook in de goede gezelschappen kunnen worden toegelaten. Niettemin wankelen zij lange tijd tussen het ware en het valse, daar zij een vroom leven hebben geleid, heeft de Heer veel zorg voor hen en zendt van tijd tot tijd engelen tot hen. Dezen zijn het die in de Joodse Kerk werden uitgebeeld door houthakkers, (Jozua 9:23,27).

Hemelse Verborgenheden 1116.

Er werden mij woningen getoond van hen die tot het tweede en derde nageslacht van de Oudste Kerk behoorden. Deze woningen zijn prachtig, over een grote lengte uitgestrekt en met mooie purperrode en blauwe kleurschakeringen; want de engelen hebben de meest prachtige woningen, zodat die nooit beschreven kunnen worden. Ik heb die vaak gezien; ze verschijnen zo tastbaar voor hun ogen, dat er niets is dat tastbaarder verschijnen kan. Maar waar zulke tastbare verschijningen vandaan komen, daarover zal, door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, in hetgeen volgt gesproken worden. Zij leven in een lichtsfeer, die om zo te zeggen, de glans van parels heeft en soms de schittering van diamanten. Want er zijn in het andere leven wonderlijke sferen in een ontelbare verscheidenheid. Zij die menen dat dergelijke dingen daar niet kunnen bestaan, en nog onbegrensd veel dingen meer, meer dan ooit in iemands voorstelling zou kunnen opkomen, dwalen zeer. Weliswaar zijn het uitbeeldingen, zoals de profeten soms zagen, niettemin zijn ze zo werkelijk, dat zij die in het andere leven zijn, deze dingen voor werkelijk houden, en dat, wat in de wereld is, in vergelijking voor niet-werkelijk houden.

Hemelse Verborgenheden 1117.

Zij, die tot het tweede en derde nageslacht van de Oudste Kerk behoorden, leven in het hoogste licht. Het licht van de wereld kan met het licht waarin zij leven, nauwelijks worden vergeleken. Dit licht werd mij getoond door middel van een vlammend licht, dat als het ware voor mijn ogen neerstroomde, en zij die van de Oudste Kerk waren, zeiden dat hun licht van dien aard was en nog sterker.

Hemelse Verborgenheden 1118.

Er werd mij door een bepaalde invloed die ik niet beschrijven kan, te verstaan gegeven, van welke aard hun - mensen van de Oudste Kerk die mens of Adam genoemd werd - spreken was tijdens hun leven in de wereld. Hun spraak was niet gearticuleerd zoals de spraak van de woorden van onze tijd, maar stil. Deze vond niet plaats door de uiterlijke ademhaling, maar door een innerlijke. Het werd mij ook gegeven waar te nemen, van welke aard hun innerlijke ademhaling was, namelijk dat deze van de navel naar het hart ging en zo door de lippen, geluidloos, en dat ze niet langs de uiterlijke weg in het oor van de ander drong en tegen iets aansloeg dat het trommelvlies wordt genoemd, maar langs een bepaalde weg binnenin de mond en wel daar door de buis van Eustachius heen. Het werd mij aangetoond dat zij door deze wijze van spreken de gevoelens van hun gemoed en de voorstellingen van hun denken veel vollediger konden uitdrukken dan ooit kan geschieden door gearticuleerde klanken of luide woorden, die eveneens door de ademhaling, maar dan door een uiterlijke, worden geregeld. Want er is niets in enig woord, dat niet geregeld wordt door de toepassingen van de ademhaling. Maar bij de Oudsten vond dit veel volmaakter plaats, want door innerlijke ademhaling, die, daar die innerlijk is, ook veel volmaakter is, en zich meer aan de denkvoorstellingen zelf aanpast en er meer mee overeenkomt. Bovendien drukten zij zich uit door uiterst lichte bewegingen van de lippen en overeenstemmende veranderingen in het gelaat en uit hun ogen, die op overeenkomstige wijze veranderden. Nooit konden zij een andere gelaatsuitdrukking tonen dan die, welke met hun gedachte overeenkwam; veinzen en arglist nog meer, gold bij hen voor een ontzaglijke misdaad.

Hemelse Verborgenheden 1121.

Ik ben door de zonen van de Oudste Kerk onderwezen over de staat van hun innerlijke gewaarwording, namelijk dat ze een innerlijke gewaarwording hadden van alle dingen die van het geloof zijn, bijna zoals de engelen, met wie ze in verbinding stonden, omdat hun innerlijke mens, of geest, ook door middel van de innerlijke ademhaling met de hemel verbonden was, en omdat de liefde tot de Heer en de liefde jegens de naaste dit met zich meebrengt, want zo wordt de mens met de engelen door het eigenlijke wezen van hun leven verbonden, dat in zulk een liefde bestaat. Ze zeiden, dat de wet in hen gegrift was, omdat ze in de liefde tot de Heer en in de liefde tot de naaste waren, want dan ging alles, wat de wetten gebieden, met hun gewaarwording samen, en alles, wat de wetten verbieden, tegen hun gewaarwording in. Zij twijfelden niet dat alle menselijke wetten, zoals de goddelijke wetten, berusten op de liefde tot de Heer en op de liefde jegens de naaste, en zich daarnaar richten als naar hun fundament. Omdat zij daarom van de Heer deze fundamentele liefden hadden, kon het wel niet anders dan dat zij al hetgeen daaruit voortvloeit wisten. Zij geloven ook dat allen die heden ten dage in de wereld leven, en de Heer en de naaste liefhebben, eveneens een in hen gegrifte wet hebben, en overal op aarde welkome burgers zijn, zoals ze het ook in het andere leven zijn.

Hemelse Verborgenheden 1122.

Verder werd ik onderwezen dat de mensen van de Oudste Kerk de verrukkelijkste dromen hadden en bovendien gezichten en dat hun dan tevens werd ingegeven, wat die betekenden; vandaar hun paradijselijke uitbeeldingen en vele andere dingen. Daarom waren voor hen de voorwerpen van de uiterlijke zinnen, die aards en werelds zijn, niets. Zij voelden daarin niet enige bekoring, maar alleen in die dingen die deze voorwerpen betekenden en uitbeeldden. Wanneer zij dan ook aardse voorwerpen zagen, dachten ze dáár niet aan, maar aan de dingen die deze betekenden en uitbeeldden, en deze dingen verschaften hun de grootste verrukking, want het waren zulke dingen die in de hemel zijn en waardoor zij de Heer Zelf zien.

Hemelse Verborgenheden 1123.

Ik spraken met hen die tot het derde geslacht van de Oudste Kerk behoorden en zij zeiden mij, dat zij in de tijd dat zij in de wereld leefden, de Heer verwacht hadden, die het gehele menselijke geslacht zou redden en dat het toen bij hen een gewone manier van spreken was dat het zaad van de vrouw de kop van de slang zou vetreden. Ze zeiden dat van die tijd af de grootste heerlijkheid van hun leven daarin bestond, kinderen te verwekken, zodat het hun hoogste verrukking uitmaakte, hun vrouw ter wille van het nageslacht lief te hebben. Ze noemden dit de heerlijkste verrukkingen en de verrukkelijkste heerlijkheden. Ze voegden er aan toe dat het gevoel van deze heerlijkheden en verrukkingen van de invloed van de hemel uitging, omdat de Heer geboren zou worden.

Hemelse Verborgenheden 1124.

Er waren enigen van het nageslacht, dat voor de vloed leefde, bij mij - het waren niet degenen die waren omgekomen, maar diegenen die iets beter dan zij waren geweest; eerst was hun invloed tamelijk zacht en vrijwel onmerkbaar, maar mij werd de waarneming gegeven, dat zij innerlijk boos waren en dat ze innerlijk tegen de liefde handelden. Een sfeer van lijkenlucht wasemde van hen uit, zodat de geesten die mij omringden daarvoor wegvluchtten. Ze hielden zichzelf voor zo fijnzinnig, dat niemand kon waarnemen wat ze dachten. Toen ik met hen over de Heer sprak en vroeg, of ze Hem niet hadden verwacht, zoals hun vaderen deden, zeiden ze, dat zij zich de Heer hadden voorgesteld als een oude, heilige man met witte baard en dat zij door Hem heilig werden en eveneens een baard hadden. Hieruit ontstond bij de nakomelingen een dergelijke eerbied voor baarden. Ze voegden er aan toe, dat zij Hem nu ook aanbidden konden, maar uit zichzelf; toen kwam echter een engel van wie ze de nadering niet konden uithouden.

Hemelse Verborgenheden 1128.

Er verscheen mij een geest die als met een wolk omhuld was. In zijn gelaat waren vele dwaalsterren, die valsheden betekenden. Er werd gezegd dat het nageslacht van de Oude Kerk van dien aard was, toen deze ten onder begon te gaan, vooral bij hen, die de eredienst met offers en beelden instelden.

Hemelse Verborgenheden 1273.

Wanneer de pas uit de wereld aangekomen zielen uit het gezelschap van de geestelijke engelen moeten worden afgescheiden om onder de geesten te komen en tenslotte in het gezelschap te belanden, waarin zij verkeerden toen zij in het lichaam leefden, worden zij door de engelen rondgeleid naar verschillende verblijven, welke afzonderlijke gezelschappen zijn en toch met andere verbonden zijn. Deze zielen worden er soms ontvangen en van daaruit soms naar andere gezelschappen geleid, en dit een tijd lang, totdat zij in het gezelschap belanden, waarin zij verkeerden toen zij nog in het lichaam leefden, en daar blijven ze dan. Vanaf dit moment begint hun nieuwe leven. Een veinzer, een huichelaar of een bedrieger, die een bedriegelijke gestalte of het wezen als van een engel weet aan te nemen, wordt soms door goede geesten aangenomen, maar na korte tijd afgescheiden, en dan dwaalt hij zonder engelen rond en vraagt om opname, maar wordt afgewezen en wordt soms gestraft. Tenslotte wordt hij onder de helse geesten gebracht. Zij, die uit de verwoesting ontslagen, onder de engelen worden verheven, veranderen ook van gezelschappen en wanneer zij van het ene naar het andere overgaan, worden zij met welwillendheid en naastenliefde uitgeleid, en dit totdat zij in het engelengezelschap komen dat samenstemt met de aard van hun naastenliefde, vroomheid, rechtschapenheid of oprechte welwillendheid. Zo werd ik ook door verblijfplaatsen geleid en men sprak met mij, opdat ik zou weten, hoe het hiermee gesteld is. Toen werd het mij gegeven over de veranderingen van plaats na te denken, namelijk dat die alleen maar schijnbaar zijn en niets anders dan veranderingen van staat, terwijl het lichaam op dezelfde plaats blijft.

Hemelse Verborgenheden 1274.

Tot de wonderlijke dingen in het andere leven behoort het volgende: Ten eerste, dat de gezelschappen van de geesten en engelen onderling onderscheiden verschijnen wat de ligging betreft, ofschoon plaatsen en afstanden in het andere leven niets anders zijn dan veranderingen van staat. Ten tweede, dat de liggingen en afstanden in verhouding staan tot het menselijk lichaam, zodat zij, die aan de rechterzijde zijn, aan de rechterzijde verschijnen, hoe het lichaam zich ook keren of wenden mag. Dit is eveneens het geval met hen die aan de linkerzijde zijn en verder ook met hen die zich in andere streken bevinden. Ten derde, dat geen enkele geest en geen enkele engel zich op een zo verre afstand bevinden, dat men ze niet gewaar kan worden, maar toch doen er zich slechts zovelen aan de blik voor, als de Heer toestaat. Ten vierde, dat de geesten, waaraan andere geesten denken, diegenen bijvoorbeeld, die aan hen in het leven van het lichaam op de een of andere manier bekend waren, op hetzelfde ogenblik aanwezig zijn, wanneer de Heer dat toestaat, en wel zo dichtbij dat zij aan het oor zijn, in het bereik van de aanraking of op enige afstand, ook al waren ze enige duizenden mijlen verwijderd, zelfs al waren ze in de omstreek van de sterren. Dit komt omdat de afstand tussen plaatsen in het andere leven niets uitmaakt. Ten vijfde, dat er bij de engelen geen voorstelling van tijd is. Deze wonderlijke dingen zijn in de wereld van de geesten, maar op nog volmaakter wijze in de hemel, hoeveel te meer voor de Heer, voor Wie noodzakelijkerwijs alles en elke bijzonderheid volkomen tegenwoordig, en onder Zijn ogen en onder Zijn voorzienigheid moet zijn. Deze dingen schijnen ongelooflijk, niettemin zijn zij waar.

Hemelse Verborgenheden 1275.

Ik was in een gezelschap waar kalmte heerste, of waarvan de kalme staat enigszins de staat van vrede nabij kwam, zonder evenwel een staat van vrede te zijn. Ik sprak over de staat van de kinderen en ook over de plaats, dat de verandering van plaats en afstand alleen maar schijn is, overeenkomstig de staat van eenieder en de verandering daarvan. Toen ik naar dit gezelschap verplaatst werd, schenen de mij omringende geesten verwijderd te worden en zich onder mij te bevinden; toch mocht ik hen horen spreken.

Hemelse Verborgenheden 1276.

Wat de ligging betreft waarin de geesten in de geestenwereld en de engelen in de hemel zich bevinden, hiermee is het als volgt gesteld: aan de rechterzijde van de Heer zijn de engelen, aan de linkerzijde de boze geesten; vooraan diegenen die het midden houden, achteraan de boosaardigen. Boven het hoofd zijn de hoogmoedigen en zij die naar hoge dingen streven; onder de voeten de hellen, die overeenstemmen met hen die in de hoogte zijn. Zo bevinden allen zich dus in hun ligging overeenkomstig hun verhouding tot de Heer, in alle streken en op alle hoogten, horizontaal en vertikaal en in alle schuine richtingen; hun ligging is bestendig en verandert in eeuwigheid niet. De hemelen vormen daar als het ware één mens, die daarom ook de Grootste Mens wordt genoemd en waarmee ook alle dingen die bij de mens zijn, overeenstemmen. Over deze overeenstemming zal, door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, in wat volgt gehandeld worden. Hierdoor komt het, dat rondom elke engel alles een gelijke ligging heeft, evenals bij elk mens aan wie de Heer de hemel geopend heeft. De tegenwoordigheid van de Heer brengt dit met zich mee en dit zou zo niet het geval zijn, wanneer de Heer niet alomtegenwoordig was.

Hemelse Verborgenheden 1277. zie ook 2379

Zo is het ook gesteld met de mensen, die wat hun zielen betreft, voortdurend verbonden zijn aan het een of andere gezelschap van geesten en engelen. Ook zij hebben in het Rijk van de Heer een ligging overeenkomstig de aard van hun leven en van hun staat van leven. Het doet niets ter zake of ze op aarde ver van elkaar verwijderd zijn, ook al waren het vele duizenden mijlen, toch kunnen ze samen in een gezelschap zijn. Zij die in naastenliefde leven, in een gezelschap van engelen, en zij die in haat en dergelijke leven, in een hels gezelschap. Evenzo doet het er niets toe dat op één plaats op aarde vele mensen tezamen zijn, dezen zijn niettemin allen gescheiden naar de aard van hun leven en naar hun staten en eenieder kan in een ander gezelschap zijn. Mensen die enige honderden of duizenden mijlen van elkaar verwijderd zijn, bevinden zich, wanneer ze voor de innerlijke zintuigen verschijnen, zo nabij, dat ze elkaar kunnen aanraken. Als er dus op aarde meer mensen waren van wie het innerlijk gezicht geopend was, dan zouden ze tezamen kunnen zijn en met elkaar spreken, ook al was de een in Indië en de ander in Europa; hetgeen ook werd aangetoond. Zo zijn dus alle mensen, en elk afzonderlijk, op aarde voor de Heer volkomen tegenwoordig, en onder Zijn blik en voorzienigheid.

Hemelse Verborgenheden 1307.

Dat de woorden 'en zijn hoofd zij in de hemel', (Genesis 11:4) betekenen, dat zij zouden willen heersen over hetgeen in de hemel is. Dit volgt hieruit; het hoofd in de hemel hebben, wil zeggen, zijn verheffing tot daarheen uitstrekken, zoals ook herhaaldelijk uit de beschrijving van Babel in het Woord blijkt en uit wat eerder is gezegd over het verheffen van het hoofd, (257). De eigenliefde is het die van alle liefden het minst met het hemelse leven overeenstemt, want uit haar komen alle boosheden, niet alleen de haatgevoelens, maar ook de wraaknemingen, de wreedheden en de echtbreuken voort. Nog minder stemt zij daarmee samen, wanneer zij in de godsdienst binnendringt en die ontheiligt. Vandaar bestaan de hellen uit zulke geesten, die zich hoe meer zij daaruit hun hoofd in de hemel willen verheffen, des te dieper naar omlaag werken en zich in des te verschrikkelijker straffen storten.

Hemelse Verborgenheden 1308.

Dat de woorden 'en laat ons een naam voor ons maken', (Genesis 11:4) betekenen, om daardoor een reputatie van macht te krijgen, kan blijken uit de betekenis van zich een naam maken. Want zulke mensen weten dat eenieder in de een of andere godsdienst wil zijn, daar dit een algemene neiging is, ook bij de heidenen. Want eenieder erkent, wanneer hij het heeal beschouwt en nog meer hij die de orde van het heeal beschouwt, een opperwezen, en daar hij zijn eigen voorspoed begeert, aanbidt hij het. Bovendien is er iets binnenin hem dat daarvoor spreekt, want iets dergelijks vloeit van de Heer in door de engelen die bij ieder mens zijn. Een mens die niet van zo'n aard is, staat onder de heerschappij van de helse geesten en erkent God niet. Daar nu zij, die de babylonische torens opbouwen, dit weten, maken zij zich door leerstellingen en heilige dingen een naam, anders zouden zij niet vereerd kunnen worden, wat in de direct daarop volgende woorden wordt aangeduid. Dat zij anders verstrooid zouden worden over de aangezichten van de gehele aarde, wil zeggen, dat ze niet erkend zouden worden. Hieruit volgt tevens, dat hoe hoger zulke figuren hun hoofd in de hemel kunnen verheffen, hoe meer naam zij zichzelf maken. Hun heerschappij is het grootst over hen die enig geweten hebben, want ze leiden hen waarheen zij willen, daarentegen regeren zij hen die geen geweten hebben, door verschillende uiterlijke banden.

Hemelse Verborgenheden 1317.

… De reden waarom in de innerlijke zin het einddoel wordt aangeduid, komt omdat de Heer bij de mens niets anders dan het einddoel in aanmerking neemt, hoe ook zijn gedachten en daden, die op ontelbare wijze verschillen, mogen zijn. Wanneer het einddoel slechts goed is, zijn ze alle goed; is echter het einddoel boos, dan zijn ze alle boos. Het is het einddoel dat regeert in elk van de dingen die de mens denkt en doet. Daar de engelen bij de mens van de Heer zijn, regeren ze bij de mens ook niets anders dan zijn einddoelen. Wanneer zij deze controleren, regeren ze ook zijn gedachten en daden, want deze behoren alle tot het einddoel. Het einddoel bij de mens is zijn eigenlijke leven; alles wat hij denkt en doet, leeft door het einddoel, daar het, zoals gezegd, tot het einddoel behoort, daarom: zoals het einddoel is, is het leven van de mens. Het einddoel is niets anders dan de liefde, want de mens kan niets anders ten doel hebben dan wat hij liefheeft. Zelfs wie anders denkt dan hij doet, heeft niettemin datgene als doel wat hij liefheeft. In de geveinsdheid zelf of in het bedrieglijk voorwenden, is een einddoel, dat de eigenliefde is of de liefde tot de wereld en vandaar de vreugde van zijn leven. Hieruit kan eenieder opmaken, dat het leven van de mens zo is, als zijn liefde is. …

Hemelse Verborgenheden 1321.

Dat de woorden 'laat Ons hun lip verwarren', (Genesis 11:7) betekenen, dat niemand het ware van het geloof heeft, kan uit de betekenis van de lip blijken, namelijk dat die de leer is, (Genesis 11:1) hieruit volgt, dat de lippen verwarren betekent, die dingen verwarren, die tot de leer behoren, dus de waarheden van de leer. Verwarren betekent in de innerlijke zin niet alleen verduisteren, maar ook uitwissen en verstrooien, zodat niets waars meer over is. Als de zelfverheerlijking in de plaats van de eredienst van de Heer komt, dan wordt niet alleen al het ware verdraaid, maar ook afgeschaft, en tenslotte wordt het valse als het ware erkend en het boze als het goede. Want alle licht van de waarheid is van de Heer en alle duisternis is van de mens. Wanneer nu de mens in de godsdienst de plaats van de Heer gaat innemen, wordt het licht van het ware tot duisternis en dan wordt door hen het licht als duisternis beschouwd en de duisternis als licht. Van dien aard is ook hun leven na de dood; het leven van het valse is voor hen als het ware het licht, maar het leven van het ware is voor hen als het ware duisternis. Maar het licht van een dergelijk leven verandert in algehele duisternis, wanneer zij de hemel naderen. Zolang zij in de wereld zijn kunnen zij weliswaar het ware spreken, ja zelfs met welsprekendheid en met een schijnbare ijver, en daar zij in voortdurende zelfbespiegeling verzonken zijn, schijnt het hun toe, alsof zij ook hetzelfde denken. Echter, het eigenlijke oogmerk is de zelfverheeerlijking, daarom nemen de gedachten dit van het einddoel over, dat zij het ware alleen erkennen voor zoveel iets van henzelf in het ware is. Wanneer de mens, die het ware op de lippen draagt, van dien aard is, dan is het duidelijk, dat hij het ware niet heeft. Dit komt helder uit in het andere leven, waar dezen niet alleen het ware niet erkennen dat zij in het leven van het lichaam beleden hebben, maar het ook haten en vervolgen, en wel voor zoveel als hun de hoogmoed of de zelfverheerlijking niet ontnomen wordt.

Hemelse Verborgenheden 1377.

Dat plaats, verandering van plaats en afstand in de geestelijke wereld schijn is, kan hieruit blijken, dat alle zielen en alle geesten, zovelen als er van de eerste schepping af zijn geweest, onveranderlijk op hun plaatsen verschijnen en dat ze ook nooit van plaats veranderen dan alleen wanneer hun staat verandert, en zoals hun staat verandert, veranderen voor hen ook de plaatsen en de afstanden. Maar aangezien eenieder een algemene staat heeft, die heerst, en de bijzondere en afzonderlijke staten steeds op het algemene betrekking hebben, keren zij na deze veranderingen weer tot hun ligging terug.

Hemelse Verborgenheden 1387.

Ik sprak soms over innerlijke gewaarwording met diegenen in het andere leven, die, toen zij in de wereld leefden, meenden dat ze alles konden doorzien en begrijpen. Ik zei hun dat de engelen gewaarworden, dat zij denken en spreken, willen en handelen uit de Heer, maar dat ze toch niet konden begrijpen wat innerlijke gewaarwording is. Zij meenden dat als alles op deze wijze zou invloeien, zij zo van alle leven beroofd zouden worden, daar ze zo niets uit zichzelf of uit het eigen ik zouden denken. Hierin stelden zij juist het leven, maar op deze manier zou het een ander zijn die dacht, en niet zij, zodat ze dus organen zonder leven zouden zijn. Maar er werd hun gezegd dat er zo'n verschil van leven is tussen innerlijke gewaarwording hebben en niet hebben, als tussen duisternis en licht, en dat zij eerst dan pas in zichzelf leven, wanneer ze een dergelijke innerlijke gewaarwording ontvangen, want dan leven zij uit de Heer, en hebben ook een eigen ik, dat hun gegeven wordt met alle gelukzaligheid en vreugde. Eveneens werd hun door vele ervaringen aangetoond, hoe het met de innerlijke gewaarwording is gesteld, en toen erkenden zij dat deze bestaat, maar na enige tijd vergaten, betwijfelden en loochenden ze het weer. Hieruit kan blijken hoe bezwaarlijk de mens het vatten kan wat de innerlijke gewaarwording is.

Hemelse Verborgenheden 1390.

Er bestaat niet alleen een mededeling van neigingen en gedachten van de ander, maar ook een mededeling van zijn kennis, in die mate, dat de ene geest meent geweten te hebben, wat de ander weet, hoewel hij daar nooit iets van geweten heeft. Zo deelt zich alle wetenschap van de ander mee; sommige geesten onthouden deze dingen, andere niet.

Hemelse Verborgenheden 1391.

De mededelingen vinden plaats zowel door hun spreken onderling als door voorstellingen en tegelijkertijd door uitbeeldingen, want de voorstellingen van hun gedachten zijn tegelijkertijd uitbeeldend; vandaar vertonen zich alle dingen in hun volheid. Door één enkele voorstelling kunnen zij meer uitbeelden dan door duizend gesproken woorden. Maar de engelen worden de inhoud van een voorstelling gewaar, de aard van de neiging en de oorsprong ervan, het einddoel en tal van andere dingen meer, die meer inwendig zijn.

Hemelse Verborgenheden 1398.

Er omringden mij vele geesten die niet goed waren. Toen naderde een engel en ik zag dat de geesten zijn tegenwoordigheid niet konden verdragen. Ze verwijderden zich meer en meer, naarmate hij naderde. Ik verwonderde mij hierover, maar mij werd te weten gegeven dat de geesten niet konden blijven in de sfeer die de engel bij zich had. Hieruit, en ook uit een andere ervaring, bleek, dat één enkele engel myriaden van boze geesten kan verdrijven, want die houden de sfeer van de wederkerige liefde niet uit. Toch werd ik gewaar dat zijn sfeer getemperd werd door de verbindingen met anderen. Wanneer deze sfeer niet getemperd was, zouden allen uiteengeworpen zijn. Hieruit blijkt eveneens welk een innerlijke gewaarwording in het andere leven bestaat, en hoe allen samengebracht en gescheiden worden overeenkomstig de innerlijke gewaarwordingen.

Hemelse Verborgenheden 1399.

Iedere geest staat in verbinding met de innerlijke en met de binnenste hemel, wat hij in het geheel niet weet. Zonder deze gemeenschap zou hij geenszins kunnen leven. Van welke aard hij innerlijk is, weten de engelen die in de innerlijke dingen zijn en hij wordt ook door middel van deze engelen door de Heer geregeerd. Zo bestaan er mededelingen van zijn innerlijke dingen in de hemel, evenals mededelingen van zijn uiterlijke dingen in de wereld der geesten. Door de innerlijke mededelingen wordt hij geschikt gemaakt voor een nutsbetrachting, waarheen hij geleid wordt zonder dat hij het weet. Zo is het ook met de mens gesteld; ook hij heeft door engelen gemeenschap met de hemel, wat hij in het geheel niet weet, want zonder die verbinding zou hij niet kunnen leven. De dingen die daar vandaan in zijn gedachten vloeien, zijn alleen maar de laatste uitwerkingen. Daaruit komt geheel zijn leven voort en daaruit wordt geheel het streven van zijn leven geregeerd.

Hemelse Verborgenheden 1404.

… Hier beginnen de ware historische gedeelten die alle van uitbeeldende aard zijn: van het 1ste hoofdstuk van Genesis tot het 12de hoofdstuk , of liever tot Eber, werden geen ware maar verdichte geschiedenissen vermeld, die in de innerlijke zin hemelse en geestelijke dingen betekenden…

… Hier, waar het ware geschiedenissen zijn, betekent in het algemeen en in het bijzonder alles wat gezegd wordt en elk woord in de innerlijke zin iets geheel anders dan in de letterlijke zin, maar de geschiedeneissen zelf zijn van uitbeeldende aard. Abram, over wie eerst wordt gehandeld, beeldt in het algemeen de Heer uit, en in het bijzonder de hemelse mens; Izaäk, over wie later gehandeld zal worden, beeldt eveneens in het algemeen de Heer uit en in het bijzonder de geestelijke mens; Jakob eveneens in het algemeen de Heer en in het bijzonder de natuurlijke mens; en zo dus de dingen die tot de Heer, die tot Zijn Rijk en die tot de Kerk behoren.

Hemelse Verborgenheden 1408.

Deze dingen en de volgende die zich historisch zo hebben toegedragen zoals ze beschreven zijn, zijn geschiedenissen van uitbeeldende aard en alle woorden aanduidingen. Dit is evenzeer het geval met alle historische gedeelten van het Woord, niet alleen met de boeken van Mozes, maar ook met Jozua, Richteren, Samuël en Koningen. In al deze boeken verschijnt niets anders dan geschiedenis; maar hoewel in de letterlijke zin geschiedenis, bevat de innerlijke zin niettemin verborgenheden van de hemel, die daarin verscholen liggen. Deze verborgenheden kunnen nooit worden gezien wanneer het gemoed met het oog aan de historische dingen vasthoudt. Deze worden ook niet geopenbaard vooraleer het gemoed zich van de letterlijke zin verwijdert. Het is met het Woord van de Heer gesteld als met het lichaam waarin een levende ziel is; de dingen die tot de ziel behoren, verschijnen niet zolang het gemoed dermate aan lichamelijke dingen kleeft, dat het nauwelijks gelooft een ziel te hebben, nog minder te zullen leven na de dood. Zodra echter het gemoed zich uit de lichamelijke dingen terugtrekt, verschijnen de dingen die tot de ziel en tot het leven behoren. Dit is ook de reden dat niet alleen de lichamelijke dingen moeten sterven vooraleer de mens opnieuw geboren of wederverwekt kan worden, maar dat ook het lichaam sterven moet, opdat de mens in de hemel kan komen en de hemelse dingen zien. Evenzo is het gesteld met het Woord van de Heer: de lichamelijke dingen zijn de dingen die tot de letterlijke zin behoren; wanneer het gemoed daarin gehouden wordt, worden de innerlijke dingen nooit gezien, maar eesrt wanneer deze lichamelijke dingen als het ware dood zijn, vertonen de innerlijke dingen zich aan het oog. Niettemin vertonen de dingen die tot de letterlijke zin behoren, overeenkomst met de dingen die bij de mens in het lichaam zijn, namelijk met de feiten en kennis van het geheugen die uit de zinnelijke dingen voortkomen en uit algemene vaten bestaan, waarin de inwendige of de innerlijke dingen zijn. Hieruit kan men weten dat de vaten iets geheel anders zijn dan de wezenlijke dingen die in de vaten zijn. De vaten zijn de natuurlijke dingen; de wezenlijke dingen, die de vaten bevatten, zijn geestelijke en hemelse dingen. Evenzo zijn de geschiedenissen van het Woord, evenals elk woord in het Woord, algemene, natuurlijke, ja zelfs stoffelijke vaten, waarin geestelijke en hemelse dingen zijn. Deze dingen komen nooit tot aanschouwing dan alleen door de innerlijke zin. Eenieder kan dit alleen al hieruit opmaken, dat vele dingen in het Woord zijn gezegd naar schijnbaarheden, ja zelfs naar zinsbegoochelingen, zo bijvoorbeeld dat de Heer toornt, straft, vervloekt, doodt en dergelijke dingen meer, terwijl toch in de innerlijke zin het tegendeel gelegen is, namelijk dat de Heer nooit toornt en straft, nog minder vervloekt en doodt. Intussen schaadt het hen die uit de eenvoud van hun harten het Woord geloven, zoals zij het in de letter opnemen, geenszins, wanneer zij in de naastenliefde leven. Dit komt omdat het Woord niets anders leert, dan dat eenieder met de naaste in naastenliefde zal leven en dat men de Heer boven alles lief zal hebben. Zij die dat doen hebben innerlijke dingen bij zich en zo worden bij hen de uit de letterlijke zin opgenomen drogbeelden gemakkelijk verstrooid.

Hemelse Verborgenheden 1409.

Dat de historische vermeldingen van uitbeeldende aard zijn, maar alle woorden aanduidingen, kan blijken uit wat eerder over uitbeeldingen en aanduidingen is gezegd en aangetoond, (665, 920, 1361). Daar hier - het 12de hoofdstuk van Genesis - de uitbeeldingen beginnen, mag deze zaak nog eens in het kort worden toegelicht. De mensen van de Oudste Kerk, die de hemelse was, beschouwden alle aardse, wereldse en verder alle lichamelijke dingen, die niettemin de voorwerpen van hun zintuigen waren, niet anders dan als dode dingen. Maar daar in het algemeen en in het bijzonder alle dingen die in de wereld zijn, een voorstelling van het Rijk van de Heer en dus van hemelse en geestelijke dingen geven, dachten zij, wanneer zij deze dingen zagen of met een van hun zintuigen opmerkten, niet daaraan, maar aan de hemelse en geestelijke dingen, en wel niet vanuit deze dingen, maar door middel ervan. Op deze wijze leefden bij hen de dode dingen. Hun nakomelingen verzamelden uit hun mond al hetgeen deze dingen betekenden en maakten daarvan leerstellingen, die het Woord van de Oude Kerk na de vloed waren. Deze dingen waren bij de Oude Kerk aanduidingen, want hierdoor leerden zij de innerlijke dingen en hieruit dachten ze over de geestelijke en hemelse dingen. Toen echter deze erkentenis te gronde begon te gaan, zodat men niet wist dat dergelijke dingen daardoor werden aangeduid, en men deze aardse en wereldse dingen voor heilig begon te houden en te vereren, zonder te denken aan hun betekenis, toen werden deze zelfde dingen uitbeeldingen. Vandaar de uitbeeldende Kerk, die in Abram een aanvang neemt en later bij de nakomelingen van Jakob werd ingesteld. Hieruit kan men weten dat de oorsprong van de uitbeeldingen gelegen is in de aanduidingen van de Oude Kerk, en dat de aanduidingen van de Oude Kerk voortkwamen uit de hemelse voorstellingen van de Oudste Kerk. Hoe het met de uitbeeldingen gesteld is, kan blijken uit de historische vermeldingen van het Woord, alwaar alle handelingen van deze aartsvaders, namelijk van Abram, Izaäk en Jakob, en later van Mozes, van de Richteren, van de Koningen van Jehudah en van Israël, niets anders dan uitbeeldingen zijn. Abram beeldt, als gezegd, in het Woord de Heer uit en daar hij de Heer uitbeeldt, beeldt hij ook de hemelse mens uit. Izaäk beeldt eveneens de Heer uit en vandaar de geestelijke mens en Jakob beeldt eveneens de Heer uit en vandaar de natuurlijke mens, die met de geestelijke overeenstemt. Maar met de uitbeeldingen is het aldus gesteld, dat niets is gericht op de persoon, van welke aard hij is, maar alles op de zaak die hij uitbeeldt. Want alle koningen van Jehudah en Israël beeldden het Koningschap van de Heer uit, onverschillig van welke aard zij waren, en alle priesters het priesterschap van de Heer, onverschillig van welke aard zij waren. Zo konden zowel de bozen als de goeden de Heer en de hemelse en de geestelijke dingen van Zijn Rijk uitbeelden; want zoals eerder gezegd en aangetoond, de uitbeeldingen zijn geheel en al van de persoon gescheiden. Vandaar nu komt het dat alle historische vermeldingen van het Woord uitbeeldingen zijn, en daar deze uitbeeldingen zijn, volgt hieruit, dat alle woorden van het Woord aanduidingen zijn, dat wil zeggen, dat ze in de innerlijke zin iets anders betekenen dan in de letterlijke zin.

Hemelse Verborgenheden 1442.

… Eenieder ontvangt wanneer hij tot de hemelse dingen komt, innerlijke gewaarwording van de Heer. Zij die hemelse mensen werden, zoals die van de Oudste kerk, ontvingen allen innerlijke gewaarwording, zie: (125, 597, 607, 784, 895). Zij die geestelijke mensen worden, dat wil zeggen, die van de Heer naastenliefde ontvangen, hebben iets dat met innerlijke gewaarwording overeenkomt, of een inspraak van het geweten, wat meer of minder helder is, al naar zij meer of minder in de hemelse dingen van de naastenliefde zijn. De hemelse dingen van de naastenliefde brengen dit met zich mee, want in deze dingen alleen is de Heer tegenwoordig, en in deze verschijnt Hij aan de mens …

Hemelse Verborgenheden 1521.

Dat geesten en engelen, uitgezonderd de smaak, alle zintuigen hebben, en wel veel scherper en volmaakter dan enig mens, is mij op vele wijzen geopenbaard. Niet alleen dat zij elkaar zien en met elkaar omgaan, de engelen zijn in de opperste gelukzaligheid vanwege de wederzijdse liefde, maar de dingen die ze daar zien, zijn ook veel talrijker dan ooit een mens kan geloven. De wereld der geesten, en hemelen, zijn vol van uitbeeldingen, zoals de profeten die gezien hebben, en er zijn er zo ontzaglijk veel, dat wanneer iemand slechts het innerlijk gezicht geopend werd en hij er urenlang in rondzag, hij wel ten zeerste versteld moest staan. Er is in de hemel een zodanig licht dat het zelfs het middaglicht van de wereld op ongelooflijke wijze overtreft. Zij ontvangen echter geen licht uit deze wereld, daar zij boven of binnen de sfeer van dit licht zijn, maar het is het licht van de Heer, die voor hen de Zon is. Het licht van de wereld, ook dat van de middag, is voor de engelen als dichte duisternis. Wanneer het hun gegeven wordt in dit licht te zien, komt het hun voor, alsof ze in louter duisternis zagen, wat mij door ondervinding te weten is gegeven. Hieruit kan blijken, welk een onderscheid bestaat tussen het licht van de hemel en het licht van de wereld.

Hemelse Verborgenheden 1522.

Het licht waarin de geesten en engelen leven, heb ik zo vaak gezien, dat ik er mij tenslotte niet meer over verwonderde, omdat ik er vertrouwd mee was geworden. Maar het zou te ver voeren om alle ervaringen mee te delen, waarom ik met dit weinige mag volstaan.

Hemelse Verborgenheden 1524.

Onverwachts schoot aan mijn oog een fel, vlammend licht voorbij, waardoor niet alleen het gezicht van mijn ogen maar ook het innerlijk gezicht sterk verblind werd. Kort daarop verscheen iets duisters als een dikke wolk, waarin als het ware iets aarde-achtigs was. Toen ik mij hierover verwonderde werd mij te weten gegeven, dat het licht bij de engelen in de hemel zo groot is in verhouding tot het licht in de wereld van de geesten, hoewel de geesten in het licht leven, maar dat er niettemin zo'n onderscheid bestaat, en dat het evenals met het licht ook zo gesteld is met het inzicht en de wijsheid van de engelen, ten aanzien van het inzicht en de wijsheid van de geesten; en niet alleen met het inzicht en de wijsheid, maar ook met alles wat tot het inzicht en de wijsheid behoort zoals: met de taal, de gedachte, de vreugden, de gelukzaligheden, want dat alles stemt met het licht overeen. Hieruit kon ik ook opmaken, hoe groot en hoedanig de volmaaktheden van de engelen zijn in vergelijking met de mensen, die, in vergelijking met de geesten, in duisternis zijn.

Hemelse Verborgenheden 1529.

Het is in de hemel ten volle bekend, maar niet zozeer in de wereld der geesten, vanwaar zulk een groot licht komt, namelijk van de Heer. Wat wonderbaarlijk is, de Heer verschijnt aan de hemelse engelen in de derde hemel als Zon en aan de geestelijke engelen als Maan. De eigenlijke oorsprong van het licht komt nergens anders vandaan. Maar voor zoveel het hemelse en het geestelijke bij de engelen is, zoveel licht hebben zij, en van welke aard het hemelse en het geestelijke is, van dien aard is hun licht. Dus openbaart zich het eigenlijke hemelse en geestelijke van de Heer zich voor hun uiterlijk gezicht door middel van dit licht.

Hemelse Verborgenheden 1530.

Dat dit zo is, kon eenieder ook uit het Woord duidelijk zijn, bijvoorbeeld toen de Heer aan Petrus, Jakobus en Johannes geopenbaard werd, want 'toen blonk Zijn gelaat als de zon, en Zijn klederen werden als het licht', (Matthéüs) 17:2). Dat Hij zo aan hen verscheen, was alleen, omdat hun innerlijk gezicht geopend werd. Bij de profeten wordt hetzelfde ook bevestigd, zoals bij Jesaja, waar over het Rijk van de Heer in de hemelen gehandeld wordt: 'Het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon, en het licht van de zon zal zevenvoudig zijn, als het licht van zeven dagen', (Jesaja 30:26); en bij Johannes, waar ook over het Rijk van de Heer wordt gehandeld, dat het Nieuwe Jeruzalem genoemd wordt: 'De stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods verlicht haar, en het Lam is haar luchter', (Openbaring 22:5); en elders: 'Aldaar zal geen nacht zijn en zij zullen geen luchter noch licht nodig hebben, want de Heer God verlicht hen', (Openbaring 22:5); en verder, toen de Heer aan Mozes, Aharon, Nadab, Abihu en de zeventig oudsten verscheen: 'zagen zij de God van Israël, onder Wiens voeten als het ware een werk van saffiersteen en als het ware het wezen des hemels in zijn klaarheid', (Exodus 24:10). Daar het hemelse en het geestelijke van de Heer voor het uiterlijke gezicht van de engelen als Zon en Maan verschijnt, betekent de zon in het Woord het hemelse en de maan het geestelijke.

Hemelse Verborgenheden 1531.

Opdat ik hierin bevestigd zou worden, dat de Heer aan de hemelse engelen als Zon, en de geestelijke engelen als Maan verschijnt, werd mij, door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, het innerlijk gezicht tot daartoe geopend. Ik zag duidelijk de glanzende Maan, die door vele kleine manen was omringd, waarvan het licht bijna zonnig was, naar de woorden van Jesaja: 'Het licht der maan zal zijn als het licht der zon', (Jesaja 30:26). Het was mij echter niet gegeven de Zon te zien; de Maan verscheen vooraan aan de rechterzijde.

Hemelse Verborgenheden 1533.

Van de ontelbare dingen die in het andere leven verschijnen, kon ik mij, voordat mijn gezicht geopend was, nauwelijks een andere voorstelling vormen dan de andere mensen doen, namelijk dat het licht en de dingen die uit het licht voortkomen, en ook zintuiglijk waarneembare dingen, geenszins in het andere leven konden bestaan. Dit ten gevolge van de fantasieën die de geleerden zich hebben gevormd omtrent het onstoffelijke, dat zij met zoveel klem aan de geesten en aan alles wat tot hun leven behoort, toeschrijven. Als gevolg daarvan kon men hiervan nooit een andere opvatting hebben, dan dat het, omdat het iets onstoffelijks was, òf iets zo duisters was, zodat men er nooit enig begrip van kon vormen, òf dat het niets was, want het onstoffelijke sluit iets dergelijks in, terwijl toch geheel het tegendeel het geval is. Want wanneer geesten niet organisch waren, en wanneer de engelen geen organische zelfstandigheden waren, zouden ze noch kunnen spreken, noch zien en noch denken.

Hemelse Verborgenheden 1540.

De ware historische verhalen van het Woord zijn, zoals gezegd, met het 12de hoofdstuk van Genesis begonnen; tot daar, of liever tot Eber, waren het verdichte verhalen. De historische verhalen, die nu met betrekking tot Abram worden voortgezet, betekenen in de innerlijke zin de Heer, en wel Zijn eerste leven, zoals het was, voordat Zijn uiterlijke mens met de innerlijke verbonden werd, in die mate, dat zij één uitmaakten, dat wil zeggen, voordat Zijn uiterlijke mens zoals hemels en Goddelijk was geworden. Het zijn de geschiedenissen die de Heer uitbeelden, de woorden zelf zijn de aanduidingen van datgene wat uitgebeeld wordt. Daar het echter geschiedenissen zijn kan het niet anders of het gemoed van de lezer wordt daarin vastgehouden, vooral heden ten dage, nu de meesten en bijna allen niet geloven dat er een innerlijke zin bestaat, nog minder dat er in elk woord een innerlijke zin is, en wellicht zullen zij het ook nu nog niet erkennen, hoewel het tot hiertoe zo duidelijk is aangetoond; ook daarom niet, omdat de innerlijke zin zozeer schijnt af te wijken van de letterlijke zin, dat men hem nauwelijks herkent. Maar men kan alleen hieruit al weten dat deze geschiedenissen nooit het Woord kunnen zijn, dat daarin, wanneer zij van de innerlijke zin gescheiden zijn, niet meer Goddelijks is dan in elke andere geschiedenis. Daarentegen maakt de innerlijke zin, dat het Goddelijk is. Dat de innerlijke zin het Woord zelf is, blijkt uit vele plaatsen die onthuld zijn, zoals: 'Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen', (Matthéüs 2:15), behalve nog tal van andere plaatsen. Ook de Heer Zelf heeft na de opstanding de discipelen geleerd wat bij Mozes en de profeten van Hem geschreven was, (Lukas 24:27), dat zo dus niets in het Woord geschreven staat, wat niet op Hem, op Zijn Rijk en op de Kerk betrekking heeft; dit zijn de geestelijke en de hemelse dingen van het Woord. Daarentegen zijn de dingen, welke de zin van de letter bevat, voor het merendeel wereldse, lichamelijke en aardse dingen, die nooit het Woord van de Heer kunnen uitmaken. Heden ten dage zijn de mensen van dien aard, dat ze niets anders dan dergelijke dingen gewaarworden; wat geestelijke en hemelse dingen zijn, weten ze nauwelijks. Anders was het gesteld met de mens van de Oudste en van de Oude Kerk; wanneer deze heden ten dage leefde en het Woord las, zou hij in het geheel geen aandacht schenken aan de zin van de letter, wat hij als niets zou beschouwen, maar op de innerlijke zin acht geven. Zij verwonderen zich zeer dat iemand het Woord anders in zich opneemt; daarom zijn ook alle boeken van de Ouden zodanig geschreven, dat zij in de innerlijke zin iets anders bevatten dan in de letter.

Hemelse Verborgenheden 1594.

… Wat de uiterlijke mens met de innerlijke in verdeeldheid brengt, weet de mens niet, en dit om vele redenen; zowel omdat hij het niet weet, of, als hij het gehoord had, niet gelooft dat er een innerlijke mens bestaat, als omdat hij niet weet, of, als hij het gehoord had, niet gelooft dat het de eigenliefde en de daarbij behorende begeerten zijn, die verdeeldheid brengen, en verder ook de liefde tot de wereld met de daarbij behorende begeerten, deze brengen echter niet zozeer verdeeldheid als de eigenliefde. Dat hij niet weet en niet gelooft dat er een innerlijke mens bestaat, komt omdat hij in lichamelijke en zinnelijke dingen leeft, die nooit kunnen zien wat innerlijk is. De innerlijke dingen kunnen zien wat uiterlijk is, maar de uiterlijke dingen kunnen nooit zien wat innerlijk is; als voorbeeld het gezicht: het innerlijke gezicht kan zien, wat het uiterlijke gezicht is, maar het uiterlijke gezicht kan nooit zien wat het innerlijke gezicht is; of het verstandelijke en het redelijke kunnen waarnemen wat het wetenschappelijke is en van welke aard, maar niet omgekeerd. Verder komt het ook hierdoor, omdat hij niet gelooft dat er een geest bestaat die van het lichaam gescheiden wordt wanneer hij sterft, en nauwelijks dat er een innerlijk leven bestaat dat men de ziel noemt. Wanneer de zinnelijke en lichamelijke mens over de geest denkt, die van het lichaam moet scheiden, komt hem dit als iets onmogelijks voor, daar hij het leven in het lichaam stelt en zich hierin bevestigt door het feit dat ook de redeloze dieren leven en toch na de dood niet leven, en nog tal van andere dingen meer…

… Daarom stellen ook velen de eeuwige gelukzaligheid hierin, dat zij na het leven van het lichaam groot worden, en door anderen, zelfs door de engelen gediend worden, terwijl zij zelf niemand willen dienen, dan alleen om een verborgen reden ten eigen bate, namelijk om gediend te worden. Wanneer zij zeggen dat ze dan alleen de Heer willen dienen, is dat vals, want zij die in de eigenliefde zijn, willen, dat ook de Heer hen dient, en voor zover dit niet gebeurt, treden zij terug. Zo lopen zij er dus in hun hart mee rond dat zij zelf Heren willen worden en over het heelal regeren …

… Hieruit kan blijken van welke aard de eigenliefde is, ook hieruit dat die haat in zich verbergt jegens allen, die zich niet aan haar onderwerpen als knechten, en vanwege de haat ook wraakzucht, wreedheden, bedrog, en talrijke snoodheden meer…

… Voor zoveel als dus de mens erkent en gelooft zo te zijn als hij in werkelijkheid is, treedt hij terug van de eigenliefde en de begeerten ervan en gruwt hij van zichzelf. Voor zoveel als dit geschiedt, ontvangt hij van de Heer hemelse liefde, dat wil zeggen, wederkerige liefde, die daarin bestaat dat hij allen dienen wil.

Hemelse Verborgenheden 1619.

Wanneer het innerlijk gezicht van de mens, dat het gezicht van zijn geest is, geopend wordt, verschijnen de dingen die in het andere leven zijn en die zich nooit zichtbaar aan het gezicht van het lichaam kunnen voordoen. De gezichten van de profeten waren niets anders. Er zijn in de hemel, zoals gezegd, voortdurend uitbeeldingen van de Heer en van Zijn Rijk, en er zijn aanduidingen, ja zelfs in die mate, dat er hoegenaamd niets voor het gezicht van de engelen bestaat, dat niet uitbeeldend en aanduidend is; vandaar de uitbeeldingen en aanduidingen in het Woord, want het Woord komt door de hemel van de Heer. Hemelse Verborgenheden 1620. De dingen die zich in de geestenwereld en in de hemel zichtbaar vertonen, zijn groter in getal dan dat deze opgesomd kunnen worden. Daar hier over het licht gehandeld wordt, mag ik die dingen vermelden, die rechtstreeks uit het licht voortkomen, zoals de atmosferen, de paradijzen, de regenbogen, de paleizen en de woningen, die daar voor het uiterlijk gezicht van de geesten en de engelen zo lichtend en levend zijn, en tevens dermate voor alle zintuigen waarneembaar, dat zij zeggen dat deze dingen werkelijk zijn, maar dat daarentegen de dingen die in de wereld zijn, in vergelijking daarmee, niet werkelijk zijn.

Hemelse Verborgenheden 1621.

Wat de atmosferen betreft, dit zijn lichtatmosferen, omdat die uit dat licht voortkomen. Deze zijn ontelbaar en van zo'n schoonheid en bekoring dat het niet kan worden beschreven; hierin leven de gelukzaligen. Er zijn diamanten atmosferen, die tot in de kleinste deeltjes schitteren, alsof ze zijn samengesteld uit kleine diamanten bolletjes. Er zijn atmosferen die flonkeren zoals allerlei soorten edelgesteente. Er zijn atmosferen als van parels, waarvan de middelpunten doorschijnend zijn en in de zuiverste kleuren stralen. Er zijn atmosferen die vlammen als van goud, andere als van zilver. Er zijn er ook als van diamantachtig goud en zilver. Er zijn atmosferen van veelkleurige bloemen, deze hebben de kleinste en bijna onmerkbare vormen; deze vullen de hemel van de kinderen met ontelbare verscheidenheid; ja zelfs, doen zich atmosferen voor als van spelende kinderen, waarvan de uiterst kleine vormen onmerkbaar zijn, maar alleen waarneembaar voor de binnenste voorstelling. Door deze vormen ontvangen de kinderen de voorstelling dat alles om hen heen leeft en dat zij in het leven van de Heer zijn, dit leven vult hun innerlijk met gelukzaligheid. Er zijn nog tal van andere dingen meer, want de verscheidenheden zijn ontelbaar en ook onuitsprekelijk.

Hemelse Verborgenheden 1622.

Wat de paradijzen betreft, deze zijn verbazingwekkend. Aan het oog trekken paradijselijke tuinen voorbij van onmetelijke uitgestrektheid, met bomen van allerlei soort, van zo'n schoonheid en bekoring dat ze ieder denkbeeld te boven gaan. Deze tuinen hebben zo veel leven in zich dat zij, die daar zijn voor het uiterlijk gezicht, de bijzonderheden niet alleen levendig zien, maar ook gewaarworden. Levendiger dan het gezicht van het aardse oog dergelijke dingen waarneemt. Opdat ik daarover geen twijfel zou koesteren, werd ik ook daarheen geleid. Het is vooraan, een weinig naar boven tegen de hoek van het rechteroog waar diegenen zijn die een paradijselijk leven leiden, en ik zag het. Alles verschijnt daar tot in bijzonderheden als in zijn allerschoonste lente en in zijn allerschoonste bloei, met verbazingwekkende pracht en verscheidenheid. Alles leeft tot in bijzonderheden door uitbeeldingen, want er is niets, dat niet iets hemels en geestelijks uitbeeldt en betekent. Zo bekoort het niet alleen het gezicht, maar ook het gemoed met gelukzaligheid. Enige zielen die pas uit de wereld waren aangekomen, en die tengevolge van de aangenomen beginselen toen ze in de wereld leefden, twijfelden, of er wel zoiets kon bestaan in het andere leven, waar geen hout en geen steen is, werden daarheen opgeheven, en spraken van daaruit met mij. Door verbazing overweldigd zeiden ze dat het onuitsprekelijk was, en dat ze het onuitsprekelijke door geen enkele voorstelling zouden kunnen uitbeelden, en dat van elke bijzonderheid bekoring en gelukzaligheid uitstraalde en wel met afwisseling en verscheidenheid. De zielen die de hemel worden binnengeleid worden doorgaans allereerst naar deze paradijzen gevoerd. De engelen echter zien dit met andere ogen; het zijn niet de paradijzen die hen verrukken, maar de uitbeeldingen, dus de hemelse en geestelijke dingen waaruit die voortkomen. Aan deze hemelse en geestelijke dingen ontleende de Oudste Kerk haar paradijzen.

Hemelse Verborgenheden 1623.

Ten aanzien van de regenbogen, er bestaat als het ware een regenboogachtige hemel, waar de gehele atmosfeer als een ononderbroken aaneenschakeling van allerkleinste regenbogen verschijnt. Daar bevinden zich degenen die tot de streek van het innerlijk oog behoren, aan de rechterzijde, vooraan, een weinig naar boven. De gehele atmosfeer of aura bestaat daar uit zulke flonkeringen die zo stralen, als het ware, elk uit de eigen oorsprong. Rond daaromheen verschijnt de vorm van een allergrootste regenboog van overweldigende schoonheid die de kleine regenbogen omsluit. Deze grootste regenboog is samengesteld uit dergelijke kleine regenbogen die de allerschoonste evenbeelden zijn van deze grootste boog. Elke kleur bestaat zo uit ontelbare stralen, zodat tienduizenden één enkele waarneembare eenheid uitmaken, die als het ware een schakering van de oorsprongen van het licht uit de hemelse en geestelijke dingen is, die een uitbeeldende voorstelling voortbrengen en tevens zichtbaar vertonen. De verscheidenheid en de spelingen van de regenbogen zijn onbegrensd; het werd mij gegeven er enige te zien, en opdat men er zich enigszins een voorstelling van kan maken van de ontelbaarheid en opdat men zal zien, uit hoeveel ontelbare stralen één enkele straal is samengesteld, mag ik een enkele ervan beschrijven.

Hemelse Verborgenheden 1624.

Er werd mij een vorm van een grote regenboog getoond opdat ik daaruit zou kunnen opmaken, van welke aard deze zijn in hun allerkleinste vorm. Het was een buitengewoon wit licht dat omgeven was door een bepaalde omtrek of rand, en in het middelpunt ervan was iets donkers, zoiets als van aarde. Dit alles was omgeven door de grootste lichtglans, deze lichtglans werd afgewisseld en onderbroken door een andere lichtglans met goudgele puntjes als kleine sterretjes. Daarbij verschenen kleurspelingen die te voorschijn werden gebracht door veelkleurige bloemen die in de felle lichtglans kwamen en waarvan de kleuren niet voortvloeiden uit de witte lichtglans, maar uit een vlammend licht. Al deze dingen waren uitbeeldingen van hemelse en geestelijke dingen. In het andere leven beelden alle zichtbare kleuren het hemelse en het geestelijke uit; de kleuren uit een vlammend licht beelden de dingen uit die tot de liefde en tot de neiging tot het goede behoren; de kleuren uit een witte lichtglans de dingen die tot het geloof en tot de neiging tot het ware behoren. Uit deze oorsprongen komen alle kleuren in het andere leven voort. Daarom fonkelen ze zo sterk, dat de kleuren van de wereld daarmee niet vergeleken kunnen worden. Er bestaan ook kleuren die in de wereld nooit zijn gezien.

Hemelse Verborgenheden 1625.

Er verscheen mij ook de vorm van een regenboog, waar in het midden ervan iets was zoals grasachtig groen, en men kon het schijnsel opmerken zoals van een zon die onzichtbaar van de zijkant scheen en zo'n schitterwit licht uitgoot dat het niet beschreven kan worden. Aan de omtrek vertoonden zich de allerschoonste kleurspelingen tegen een achtergrond van parelachtig licht. Hieruit en uit nog andere dingen kon blijken van welke aard de vormen van de regenbogen in hun allerkleinste delen zijn, en dat er ontelbaar vele verscheidenheden bestaan, en wel overeenkomstig de naastenliefde en het daaruit voortkomende geloof van hem, aan wie ze worden uitgebeeld, en die als een regenboog is voor hen aan wie het zich in schoonheid en heerlijkheid vertoont.

Hemelse Verborgenheden 1626.

Behalve deze paradijselijke tuinen, zag men ook steden met prachtige paleizen die aan elkaar gebouwd zijn, stralend in kleurenpracht en boven alle bouwkunst verheven Het is dan ook niet te verwonderen dat dergelijke beelden ook verschenen aan de profeten, wanneer hun innerlijk gezicht geopend werd, en wel zo duidelijk, dat niets in de wereld duidelijker kan zijn, zoals ook aan Johannes het Nieuwe Jeruzalem verscheen. Dit is door hem met de volgende woorden beschreven: 'Hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem. Zij had een grote en hoge muur; ze had twaalf poorten; het gebouw van de muur was van jaspis, en de stad was zuiver goud zoals zuiver glas; de fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei kostbaar gesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcédon, het vierde smaragd, het vijfde sardónix, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beryl, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacinth, het twaalfde amethyst', (Apocalyps 21:10,12,18,19,20), en nog vele andere door de profeten meegedeelde verschijningen. Ontelbare dingen van dien aard worden door de engelen en de engelgeesten in het volle licht gezien, en wat wonderlijk is, met alle zintuigen waargenomen. Dit kan nooit iemand geloven die de geestelijke voorstellingen door de termen en definities van de menselijke filosofie en door spitsvondige redeneringen heeft uitgedoofd, terwijl deze dingen toch de volste waarheid zijn. Dat ze waar zijn, had men hieruit kunnen opmaken dat ze zo vaak aan heiligen verschenen zijn.

Hemelse Verborgenheden 1627.

Het was mij gegeven, behalve steden en paleizen soms ook decoraties te zien, zoals aan bordessen en poorten. Deze versieringen zijn vol beweging alsof ze levend waren en veranderen met steeds nieuwe schoonheid en symmetrie. Mij werd meegedeeld dat deze vormveranderingen op deze wijze altijd maar door op elkaar zouden kunnen volgen, ook al zou het tot in eeuwigheid duren, met steeds nieuwe harmonie, terwijl de opeenvolging zelf ook een harmonie vormt. Er werd gezegd dat deze wonderen nog maar tot de allerkleinste behoren.

Hemelse Verborgenheden 1628.

Alle engelen hebben hun eigen verblijven waarin ze wonen; deze zijn prachtig. Ik ben daar geweest en heb ze herhaalde malen gezien en bewonderd en ik sprak daar met hen. Ze zijn zo duidelijk en zichtbaar dat er niets kan bestaan wat duidelijker en meer zichtbaar is. De woningen op aarde staan in geen verhouding daarmee. Ze noemen ook de dingen die op aarde zijn, dood en niet werkelijk, maar hun dingen noemen ze levend en waar, daar ze van de Heer zijn. De architectuur is van dien aard, dat de kunst zelf daaruit voortkomt, en wel met oneindige verscheidenheid. Ze zeiden dat al werden hun alle paleizen van de gehele wereld gegeven, zij deze niet voor die van hen zouden willen ruilen; wat van steen, leem en hout is, is voor hen dood. Wat echter van de Heer komt en van het leven en het licht zelf, is levend en des te meer omdat ze het met alle zintuigen genieten. De dingen die zich daar bevinden zijn immers geheel en al aan de zintuigen van de engelen en geesten aangepast. Want wat in het licht van de natuurlijke zon is, kunnen de geesten met hun blik in het geheel niet waarnemen, want wat van steen en hout is, is aangepast aan de zintuigen van de mensen in het lichaam. Geestelijke dingen stemmen overeen met het geestelijke en lichamelijke dingen met het lichamelijke.

Hemelse Verborgenheden 1629.

De woningen van de goede geesten en van de engelgeesten hebben doorgaans zuilengangen en soms lange boogvormige of dubbele voorhoven, waarin ze wandelen. De wanden ervan zijn met veel verscheidenheid gevormd en versierd met bloemen en met wonderbaarlijk gevlochten bloemenslingers en nog tal van andere ornamenten, die, zoals gezegd wisselen en elkaar opvolgen. Soms zien zij ze in een helder licht, dan weer in gedempter licht, steeds tot innerlijke verrukking. Hun woningen veranderen ook in nog fraaiere, al naar de geesten volmaakter worden. Wanneer zij veranderen, verschijnt aan de zijkant iets dat een venster voorstelt; dit wordt groter en van binnen donkerder, en er vertoont zich iets als een hemel met sterren, en iets als wolken, wat een teken is dat hun woningen worden veranderd in meer aangename woningen.

Hemelse Verborgenheden 1630.

Geesten zijn zeer verontwaardigd dat de mensen niet het minste begrip hebben van het leven van de geesten en de engelen en dat ze menen dat deze in een duistere staat verkeren, die niet anders dan een allertreurigste kan zijn, als het ware in een leeg en onbeduidend niets. Toch zijn zij in het hoogste licht en in het genot van alle plezierige dingen wat betreft hun zinnen en wel tot aan hun binnenste gewaarwording. Er waren ook bepaalde zielen die pas uit de wereld waren aangekomen en door de beginselen die ze daar hadden aangenomen van mening waren, dat dergelijke dingen in het andere leven niet bestonden. Daarom werden zij in de woningen van de engelen binnengeleid en spraken daar met hen en zagen deze dingen. Toen ze terugkeerden zeiden ze dat ze hadden waargenomen dat dingen inderdaad zo waren en dat deze dingen werkelijkheden waren en dat ze dit in het leven van het lichaam nooit geloofd hadden, noch hadden kunnen geloven. Ze zeiden verder dat deze dingen wel tot de wonderen moeten behoren die men niet gelooft omdat men ze niet begrijpt. Daar het echter een ervaring van de zinnen is, maar dan van de innerlijke, en hun dit gezegd wordt, moesten ze daaraan toch niet twijfelen, alleen omdat ze het niet begrijpen. Want als men niets geloofde dan alleen wat men begrijpt, dan zou men niets geloven van de dingen die tot de innerlijke natuur behoren, en nog minder van de dingen die tot het eeuwige leven behoren. Hier ligt de oorzaak van de waanzin van onze tijd.

Hemelse Verborgenheden 1631.

Diegenen die in het leven van het lichaam rijk waren en in prachtige paleizen woonden en daarbij in dergelijke dingen hun hemel stelden, en die zonder geweten en zonder naastenliefde anderen onder allerlei voorwendsels van hun goederen beroofden, worden wanneer ze in het andere leven komen, zoals eerder gezegd, eerst in geheel hun eigen leven gebracht, zoals ze dat in de wereld hadden, en het wordt hun dan ook soms toegestaan, ook in paleizen te wonen zoals ze in de wereld hadden. Want in het andere leven worden ze aanvankelijk als gasten en nieuw-aangekomenen ontvangen, en zolang ze naar hun innerlijke dingen en hun levensdoeleinden nog niet onthuld moeten worden, bewijzen de engelen, van de Heer uit, hun diensten en weldaden. Maar het toneel verandert; de paleizen verdwijnen allengs en worden huisjes, gaandeweg geringer tot er tenslotte niets meer is. Dan zwerven zij rond als degenen die om een aalmoes vragen en smeken om opgenomen te worden. Maar daar zij van dien aard zijn, worden ze uit de gezelschappen verstoten. Tenslotte worden ze als drek en wasemen een sfeer uit van stank van tanden.

Hemelse Verborgenheden 1632.

Ik sprak met engelen over de uitbeeldingen, namelijk dat er in het plantenrijk op aarde niets is, dat niet op de een of andere wijze het Rijk van de Heer uitbeeldt. Zij zeiden dat al het mooie en sierlijke wat in het plantenrijk is, zijn oorsprong ontleent, door de hemel aan de Heer, en dat wanneer de hemelse en de geestelijke dingen van de Heer in de natuur invloeien, zich dergelijke dingen in de werkelijkheid vertonen, en dat hieruit de ziel of het leven van de planten voortkomt. Vandaar zijn die dingen uitbeeldingen, en daar dit in de wereld onbekend is, werd het een hemelse verborgenheid genoemd.

Hemelse Verborgenheden 1634.

Over de spraak van geesten en engelen; het is uit het Woord van de Heer bekend dat in oude tijden velen met geesten en engelen hebben gesproken, en dat zij vele dingen die in het andere leven zijn, hebben gehoord en gezien. Later werd echter de hemel als het ware toegesloten, en wel zo volledig, dat men heden ten dage nauwelijks gelooft, dat er geesten en engelen zijn en nog minder dat iemand met hen spreken kan. Men houdt er de mening op na dat het onmogelijk is om met wezens te spreken die onzichtbaar zijn en die men in zijn hart loochent. Maar daar het mij door de goddelijke barmhartigheid van de Heer is vergund, nu reeds enige jaren achtereen bijna voortdurend gesprekken met hen te voeren, en met hen om te gaan als een van hen, mag ik thans meedelen, wat mij ten aanzien van hun spraak is te weten gegeven.

Hemelse Verborgenheden 1636.

Hoe moeilijk mensen tot het geloof kunnen worden gebracht dat er geesten en engelen bestaan en nog zoveel moeilijker, dat iemand met hen zou kunnen spreken, werd mij door het volgende voorbeeld duidelijk. Er waren enige geesten aanwezig die toen ze nog in het lichaam leefden, tot de meer ontwikkelden behoorden en mij destijds bekend waren - want ik sprak met bijna allen die ik in het leven van hun lichaam gekend had, met enigen verscheidene weken lang, met anderen een jaar lang, geheel en al alsof ze in het lichaam leefden. Ze werden op een keer in een soortgelijke staat van denken gebracht als ze gehad hadden toen ze nog in de wereld leefden, wat in het andere leven moeiteloos plaatsvindt. Toen werd hun de vraag ingegeven of ze geloven of een mens met geesten zou kunnen spreken. Ze zeiden toen in deze staat, dat het fantasie was om zoiets te geloven, en dit verzekerden ze met stelligheid. Hierdoor werd mij te weten gegeven, hoe moeilijk de mens tot het geloof gebracht kan worden, dat er op de een of andere wijze een spreken van de mens met geesten zou kunnen bestaan, omdat men namelijk niet gelooft dat er geesten bestaan, nog minder, dat men na de dood onder de geesten zal komen, waarover zich toen ook diezelfde geesten ten zeerste verwonderden. Toch behoorden zij tot de meer ontwikkelden, en hadden in het openbaar veel gesproken over het andere leven, over de hemel en over de engelen, zodat men had kunnen geloven dat dit voor hen een wetenschappelijk, geheel uitgemaakte zaak was, bovenal door het Woord, waarin van het spreken met geesten zo vaak sprake is.

Hemelse Verborgenheden 1645.

De spraak van de engelen is niet te beschrijven en ver boven de spraak van geesten, omdat deze gaat boven de spraak van de engelgeesten. Die spraak is voor de mens, zolang deze in het lichaam leeft, op geen enkele wijze begrijpelijk; ook de geesten in de geestenwereld kunnen zich hiervan geen voorstelling maken, want het gaat het bevattingsvermogen van hun gedachten te boven. Hun spraak is niet een spraak van dingen die uitgebeeld worden door bepaalde voorstellingen, zoals van geesten en engelgeesten, maar het is een spraak van einddoelen en van nuttige werkingen die daaruit voortkomen, die het beginsel en het wezenlijke van de dingen zijn. Daarin worden de gedachten van de engelen neergelegd en daarin wisselen die met onbegrensde verscheidenheid. In alles en in elke bijzonderheid van deze spraak is een innerlijke vreugde en gelukzaligheid uit het goede van de wederkerige liefde van de Heer en het schone en het verrukkelijke uit het ware van het geloof dat uit de liefde voortkomt. De einddoelen en de nuttige werkingen die daaruit voortkomen, zijn als het ware de tederste kelken en de liefelijkste dragers van ontelbaar vele verscheidenheden en dit door middel van niet te begrijpen hemelse en geestelijke vormen. Hierin worden zij door de Heer gehouden, want het Rijk van de Heer is alleen een rijk van einddoelen en nuttige werkingen. Daarom richten ook de engelen die bij de mens zijn de aandacht op niets anders dan op einddoelen en nuttige werkingen en halen zij uit de gedachte van de mens niets anders dan dat tevoorschijn; om het overige, dat denkbeeldig en stoffelijk is, bekommeren ze zich niet in het minst daar dit ver beneden hun sfeer is.

Hemelse Verborgenheden 1648.

Er bestaat een spraak van goede geesten en van engelgeesten, die een samenspraak van velen is, voornamelijk in kringen of koren, waarover door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, in het volgende wordt gehandeld. Het spreken in koren, dat ik vaak heb gehoord, heeft een toonval als in ritmen. Zij denken geenszins aan de woorden of de voorstellingen; wat zij voelen vloeit als vanzelf erin uit, en er vloeien geen woorden of voorstellingen binnen, die de zin verveelvuldigen of naar een andere kant heen trekken, of waaraan iets kunstmatigs kleeft, of dat hun sierlijk voorkomt uit zichzelf of uit eigenliefde. Dit zou onmiddellijk een verwarring veroorzaken. Ze blijven aan geen enkel woord hangen en denken aan de zin ervan. De woorden zijn de vanzelfsprekende uitvloeisels van de zin zelf. Zij gaan in eenheden uit, meestal in enkelvoudige, en wanneer ze in samengestelde eenheden uitlopen, wentelen ze zich door een accent in wat volgt. Dit komt omdat zij in gezelschap denken en spreken en de vorm van hun spreken daarom de cadans heeft die overeenkomt met de samenhang en de eensgezindheid van het gezelschap. Van zo'n aard was oudtijds de vorm van de liederen en van zo'n aard is de vorm van de Psalmen van David.

Hemelse Verborgenheden 1649.

Wat wonderbaarlijk is; de spraak, die als het ware de ritmische of harmonische toonval van liederen heeft, is de natuurlijke spraak van de geesten. Op deze wijze spreken zij onder elkaar, hoewel zij dit niet weten. Terstond na de dood nemen de zielen deze gewoonte om zo te spreken zelf aan. Ik ben in een dergelijke spraak ingewijd en die is mij tenslotte vertrouwd geworden. De reden waarom zij van dien aard is, is hierin gelegen, dat zij in gezelschap spreken, de meeste tijd zonder het te weten. Dit is het duidelijke bewijs dat allen in gezelschappen zijn onderscheiden en dat zich vandaar alle dingen naar de vormen van de gezelschappen richten.

Hemelse Verborgenheden 1659. (Genesis 14de hoofdstuk);

De dingen die dit hoofdstuk bevat verschijnen alsof ze niet uitbeeldend waren, want er wordt alleen gehandeld over oorlogen tussen verschillende koningen en over de invrijheidstelling van Loth door Abram, en tenslotte over Malchizedech. Zo schijnt het dus alsof er van binnen geen enkele hemelse verborgenheid is, maar niettemin bevatten deze dingen, net als al het overige, in de innerlijke zin de allerdiepste verborgenheden, die ook in voortdurende samenhang uit het voorafgaande voortvloeien en zich in voortdurende samenhang aan het volgende vasthechten. In het voorafgaande werd over de Heer gehandeld en over Zijn onderricht, verder over Zijn uiterlijke mens, die door middel van de wetenschappen en erkentenissen verbonden moest worden met de Innerlijke Mens. Maar daar Zijn uiterlijke mens van dien aard was, dat Hij, zoals gezegd, door overerving van de moeder, dingen in zich had, die de verbinding in de weg stonden, en die noodzakelijk eerst door worstelingen en verzoekingen verdreven moesten worden, vooraleer Zijn Uiterlijke Mens met de Innerlijke kon worden verenigd, of Zijn Menselijk Wezen met het Goddelijke. Daarom wordt in dit hoofdstuk over die worstelingen gehandeld, die in de innerlijke zin worden uitgebeeld en aangeduid door oorlogen, waarvan hier sprake is. Binnen de Kerk is het bekend dat Malchizedech de Heer uitbeeldde en dat zo in de innerlijke zin over de Heer gehandeld wordt, wanneer van Malchizedech sprake is. Hieruit kan ook worden opgemaakt dat niet alleen dit, maar ook het overige uitbeeldend is, want er kan in het Woord ook niet het kleinste woordje geschreven zijn dat niet uit de hemel is neergezonden en waarin dus de engelen niet hemelse dingen zien. In de oudste tijden werden ook vele dingen door oorlogen uitgebeeld, die zij 'Oorlogen van Jehovah' noemden, en deze betekenden niets anders dan de worstelingen van de Kerk en van hen die tot de Kerk behoorden, dat wil zeggen, hun verzoekingen, die niets anders zijn dan worstelingen en oorlogen tegen de boosheden bij hen, en dus tegen de duivelse bende die boosheden opwekt en het er op toelegt, de Kerk en de mens van de Kerk te vernietigen. Dat onder de oorlogen in het Woord niets anders wordt verstaan kan hieruit duidelijk blijken, dat in het Woord enig en alleen over de Heer, en over Zijn Rijk en over de Kerk gehandeld kan worden, daar het Goddelijk en niet menselijk, dus hemels en niet werelds is. Daarom kan onder de oorlogen, die in de zin van de letter voorkomen, in de innerlijke zin niets anders worden verstaan …

Hemelse Verborgenheden 1691.

… Al het boze en valse ontstaat uit de eigenliefde en de liefde tot de wereld, er is geen andere oorsprong, want deze zijn tegenovergesteld aan de hemelse en de geestelijke liefde. En omdat zij tegenovergesteld zijn, zijn die het juist die voortdurend de hemelse en geestelijke dingen in het Rijk van God trachten te vernietigen. Uit eigenliefde en de liefde tot de wereld ontstaan alle soorten van haat, uit de haat alle wraaknemingen en wreedheden, en uit beide weer alle arglisten, kortom alle hellen …

… Bergen betekenen, zoals gewoonlijk, de hemelse liefde en de geestelijke liefde, (759, 796), in de tegenovergestelde zin echter wordt in het Woord door bergen de eigenliefde en de liefde tot de wereld aangeduid. Bij Jesaja: 'De ogen van de hoogmoed des mensen zullen vernederd worden, en de hoogmoed der mensen zal neergebogen worden; de dag van Jehovah Zebaoth over alle hoovaardige en hoge; over alle hoge bergen en over alle verhevene heuvelen en over alle hoge toren', (Jesaja 2:11,12,14,15). Hier staan de hoge bergen klaarblijkelijk voor de eigenliefde en de verheven heuvelen voor de liefde tot de wereld. Bij Mozes: 'Een vuur is aangestoken in Mijn toorn en zal branden tot in de onderste hel, en zal het land en zijn inkomst verteren en de gronden van de bergen in vlam zetten', (Deuteronomium 32:22), 'gronden van de bergen', voor de hellen worden zij genoemd omdat de eigenliefde en de liefde tot de wereld daar heersen en uit voortkomen …

… Wie in verzoekingen is, is in de hellen; het is de staat en geenszins de plaats, die maakt dat men in de hellen is. Daar bergen en torens de eigenliefde en de liefde tot de wereld betekenen, kan aan de hand daarvan blijken, wat wordt aangeduid met de woorden, dat de Heer door de duivel op een hoge berg werd geleid en op de tinne van de tempel, namelijk in alle uiterste worstelingen van de verzoekingen tegen de liefde van zichzelf en tot de wereld, dat wil zeggen, tegen de hellen …

Hemelse Verborgenheden 1709.

'En Abram hoorde dat zijn broeder gevangen was, en hij wapende zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, achttien en driehonderd, en jaagde na tot Dan', (Genesis 14:14). Dat achttien en driehonderd mannen de aard betekenen, namelijk dat zij de heilige dingen van de strijd zijn, ligt in het getal achttien opgesloten, verder ook in het getal driehonderd, want deze getallen zijn samengesteld uit drie en zes; drie betekent het heilige, zoals in: (720, 901) is aangetoond en zes de strijd, zoals in: (737, 900) is aangetoond. Dat Abram zo velen wapende, is historisch waar, maar toch was het een uitbeelding, zoals alle historische vermeldingen van het Woord in de vijf boeken van Mozes, in Jozua, in Richteren, in Samuël, in Koningen, in Daniël en in Jona, al waar de getallen net zo verborgenheden bevatten. Want er is niets in het Woord geschreven dat niet van dien aard was, anders was het het Woord niet en anders zou het nooit vermeld zijn, dat Abram achtien en driehonderd wapende en dat zij onderwezenen en ingeborenen van het huis waren, behalve nog meer dingen die in dit hoofdstuk worden gezegd.

Hemelse Verborgenheden 1729.

Dat de woorden 'de Allerhoogste God' de Innerlijke Mens betekenen, die Jehovah is, blijkt uit hetgeen hierboven herhaaldelijk over de Innerlijke Mens van de Heer is gezegd, namelijk dat Hij Jehovah Zelf is en dat dus de Heer een en dezelfde is met Jehovah, zoals Hijzelf leert bij Johannes: 'Ik ben de weg en de waarheid en het leven; Filippus zei: Toon ons de Vader; Jezeus zei: Ben Ik zo lange tijd met ulieden en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft die heeft de Vader gezien; hoe zegt ge dan: Toon ons de Vader. Gelooft gij niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is', (Johannes 14:6,8,9,10,11). Het is het Menselijk Wezen van de Heer, dat Zoon des Mensen wordt genoemd, en dat na de worstelingen van de verzoekingen met het Goddelijk Wezen ook verenigd werd, zodat dit zelf ook Jehovah werd. Daarom kent men in de hemel geen andere Jehovah Vader dan de Heer, zie: (15). Bij de Heer is alles Jehovah, niet alleen Zijn Innerlijke en Zijn Inwendige Mens, maar ook Zijn Uiterlijke Mens en zelfs Zijn Lichaam, vandaar dat Hij Alleen het is, die ook met het lichaam in de hemel is opgestaan, zoals duidelijk genoeg bij de evangelisten blijkt, waar over Zijn opstanding gehandeld wordt en verder ook uit de woorden van de Heer Zelf: 'Waarom klimmen gedachten op in uw harten? Ziet Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf; betast Mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet dat Ik heb; en als Hij dit zei, toonde Hij hun de handen en de voeten', (Lukas 24:38,39,40).

Hemelse Verborgenheden 1769.

Er kwam een zekere geest bij mij, niet lang na zijn verscheiden uit het lichaam, wat ik daaraan kon opmaken, dat hij nog niet wist in het andere leven te zijn en in de mening verkeerde dat hij in de wereld leefde. Ik werd gewaar dat hij zich aan de studie had gewijd en sprak daarover met hem. Maar toen werd hij plotseling in de hoogte geheven, waarover ik mij verwonderde en ik veronderstelde, dat hij tot diegenen behoorde, die naar hoge dingen streefden, want zulke geesten worden gewoonlijk in de hoogte geheven; of dat hij de hemel voor de allerhoogste hoogte had gehouden, dezen worden eveneens gewoonlijk in de hoogte geheven, opdat zij daaruit mogen weten dat de hemel niet in de hoogte, maar in het innerlijke is. Maar weldra bemerkte ik dat hij naar de engelgeesten werd geheven, die zich vooraan een weinig naar rechts op de eerste drempel van de hemel bevinden. Van daaruit sprak hij vervolgens met mij en zei dat hij verhevener dingen zag dan het menselijk gemoed ooit zou kunnen vatten. Toen dit plaatsvond, las ik het eerste hoofdstuk van Deuteronomium over het joodse volk, namelijk dat mannen waren uitgezonden om het land Kanaän om wat daarin was te verspieden. Toen ik dit las zei hij dat hij niets gewaar werd van wat in de zin van de letter is, maar dat hij de dingen ontwaarde, die in de geestelijke zin zijn, en dat het wonderen waren die hij niet beschrijven kon. Dit geschiedde op de eerste drempel van de hemel van de engelgeesten, hoe moet het dan wel zijn in die hemel zelf en hoe in de engelenhemel! Toen begonnen enige geesten die bij mij waren en die tevoren niet hadden geloofd dat het Woord van de Heer van dien aard is, berouw te voelen dat zij niet geloofd hadden. In deze staat zeiden ze, dat ze geloofden, omdat zij de geest hadden horen zeggen, dat hij had gehoord, gezien en waargenomen dat het zo is. Andere geesten echter volhardden nog in hun ongeloof en zeiden dat het niet zo was, maar dat het fantasieën waren. Daarom werden ook dezen plotseling opgeheven, en terwijl ze vandaar uit met mij spraken, bekenden ze dat het allerminst fantasieën waren, daar ze in werkelijkheid gewaar werden, dat het zo is, en wel met een scherper gevoel dan ooit aan enig zintuig in het leven van het lichaam gegeven zou kunnen worden. Spoedig daarop werden ook anderen in dezelfde hemel geheven, en onder hen bevond zich iemand die ik in het leven van het lichaam had gekend. Deze betuigde hetzelfde en zei onder meer dat hij van verbazing de heerlijkheid van het Woord in zijn innerlijke zin niet beschrijven kon. Toen zei hij, sprekend uit een zeker medelijden, dat het verwonderlijk is dat de mensen hoegenaamd niets van deze dingen weten; bovendien zei hij, dat hij van daaraf mijn gedachten en mijn neigingen tot in het diepste kon doorschouwen en daarin meer ontwaarde dan hij zou kunnen uitspreken; bijvoorbeeld de oorzaken, de invloeden, vanwaar die kwamen en door wie, de denkbeelden, hoe die met aardse dingen vermengd waren, en dat die geheel en al afgescheiden moesten worden, en andere dingen meer.

Hemelse Verborgenheden 1770.

Tweemaal zag ik daarna anderen in de tweede hemel geheven onder de engelgeesten, en zij spraken van daaruit met mij, toen ik het derde hoofdstuk van Deuteronomium van begin tot einde las. Zij zeiden dat zij alleen in de innerlijke zin van het Woord waren, en verzekerden dat er ook niet een haaltje was, waarin niet een geestelijke zin school die op de allerschoonste wijze met het overige samenhing. Verder zeiden ze dat de namen dingen betekenden; zo werden ook zij, omdat ze het tevoren niet hadden geloofd, overtuigd, dat alles tot in elke bijzonderheid in het Woord van de Heer is ingegeven. Zij wilden dit zelfs voor anderen met een eed bekrachtigen, maar dit werd niet toegestaan.

Hemelse Verborgenheden 1771.

Enige geesten waren ook in het ongeloof ten aanzien van het Woord van de Heer, namelijk dat het in zijn schoot of van binnen dergelijke dingen verbergt. Want geesten zijn in het andere leven in hetzelfde ongeloof dat zij tijdens het leven in het lichaam hadden. Dit wordt alleen verstrooid door middelen waarin door de Heer wordt voorzien en door levende ondervindingen. Toen ik dus enige psalmen van David las, werd hun inwendig gezicht of gemoed geopend - deze geesten werden niet onder de engelgeesten verheven - zij werden toen in deze psalmen de innerlijke dingen van het Woord gewaar, en hierdoor met verbazing geslagen, zeiden ze dat ze zoiets nooit geloofd hadden. Toen werd dit Woord door verscheidene andere geesten gehoord, maar ze namen het allen op verschillende wijze op. Bij sommigen vervulde het hun denkvoorstellingen met vele bekoringen en verrukkingen, en zo met een zeker leven, al naar het vermogen van eenieder, en tevens met een tot in hun binnenste doordringende werkzaamheid. Bij sommigen met een zo sterke werkzaamheid dat het hun toescheen, alsof ze naar de inwendige sferen van de hemel werden opgeheven, en steeds nader en nader tot de Heer, overeenkomstig de graden, waarin de waarheden en de aan de waarheden verbonden goedheden hen aandeden. Tevens werd het Woord toen tot enigen gebracht, die niets van het innerlijke van het Woord vatten, maar alleen van de uiterlijke of letterlijke zin; voor hen scheen de letter zonder enig leven. Hieruit bleek van welke aard het Woord is, wanneer de Heer het levend maakt, namelijk dat het het vermogen heeft, om tot de binnenste dingen door te dringen, en van welke aard het is, wanneer Hij het niet levend maakt, namelijk dat het dan alleen maar een letter is, die nauwelijks enig leven heeft.

Hemelse Verborgenheden 1772.

Door de goddelijke barmhartigheid van de Heer werd het mij ook toegestaan eveneens het Woord van de Heer in zijn schoonheid in de innerlijke zin te zien, en dit herhaaldelijk, niet zoals het is wanneer elk woord naar de innerlijke zin wordt uitgelegd, maar alles en elke bijzonderheid in één samenhang; hiervan kan gezegd worden, dat men van het aards paradijs uit het hemels paradijs ziet.

Hemelse Verborgenheden 1774.

Er zijn geesten die niets willen horen van de innerlijke dingen van het Woord, ja zelfs die, hoewel ze het kunnen begrijpen, dit toch niet willen. Het zijn voornamelijk diegenen die in hun werken verdienste hebben gelegd, en wel daarom, omdat zij het goede deden uit eigenliefde en liefde tot de wereld, of om zich waardigheid of rijkdom en daardoor eer te verschaffen, en dus niet ter wille van het Rijk van de Heer. Deze mensen willen in het andere leven vóór de anderen de hemel ingaan, maar zij blijven buiten de hemel, want ze willen niet vervuld worden met erkentenissen van het ware en zo door het goede worden aangedaan. Zij blijven doorgaan de zin van het Woord uit te leggen naar de letterlijke zin volgens hun fantasieën, en alles daaruit te halen wat hun begeerten begunstigt. Zulke geesten worden uitgebeeld door een lelijk oud wijf, maar toch met een sneeuwbleek gezicht met onregelmatige trekken, waardoor zij zo wanstaltig is. Daarentegen werden zij, die de innerlijke dingen van het Woord aanvaarden en liefhebben, door een meisje uitgebeeld in haar eerste maagdelijke leeftijd of in de bloei van haar jeugd, zedig gekleed, met kransen en hemelse tooi.

Hemelse Verborgenheden 1775.

Ik sprak met enkele geesten over het Woord, namelijk dat het noodzakelijk was geweest dat er, door de Goddelijke Voorzienigheid van de Heer, de een of andere openbaring had plaatsgevonden; want de openbaring of het Woord is het algemene vat dat de geestelijke en hemelse dingen opneemt, en zo hemel en aarde verbindt. Anders zouden deze van elkaar gescheiden zijn en het menselijk geslacht te gronde gaan. Bovendien moesten er ergens hemelse waarheden zijn waardoor de mens onderwezen moet worden, daar hij voor hemelse dingen is geboren en na het leven van het lichaam onder de hemelsen moet komen, want de waarheden van het geloof zijn de wetten van de orde in het Rijk, waarin hij tot in eeuwigheid moet leven.

Hemelse Verborgenheden 1783.

Wat in het 15de hoofdstuk van Genesis ligt opgesloten, zijn, zoals eerder gezegd, ware historische gebeurtenissen, namelijk dat Jehovah zo met Abram heeft gesproken, en dat hem het erfelijk bezit van het land Kanaän werd beloofd; dat hem bevolen werd, op deze wijze een vaars, een geit, een ram, een tortelduif en een jonge duif neer te leggen; dat het gevogelte neerstreek over de lichamen; dat een diepe slaap op hem viel en in de slaap de verschrikking van de duisternissen; en dat hem, toen de zon ondergegaan was, een rokende oven verscheen met een fakkel van vuur tussen de delen, en zo voort. Dit zijn ware historische vermeldingen, maar toch is alles en elke bijzonderheid, tot in de kleinste bijzonderheid van een feit, van uitbeeldende aard, en zijn de woorden zelf waarin zij beschreven worden, tot in de kleinste jota van aanduidende aard, dat wil zeggen, in alles en in elke bijzonderheid is een innerlijke zin. Want alle dingen in het algemeen en in het bijzonder, die in het Woord zijn, zijn ingegeven, en daar zij zijn ingegeven, kunnen ze niet anders dan van hemelse oorsprong zijn, dat wil zeggen, hemelse en geestelijke dingen in hun schoot verbergen; anders zou het nooit het Woord van de Heer zijn. Deze dingen zijn het, die in de innerlijke zin liggen opgesloten; wanneer deze zin verschijnt, verdwijnt de zin van de letter alsof deze er in het geheel niet was; en zo ook omgekeerd, wanneer men alleen op de historische zin of op de zin van de letter let, verdwijnt de innerlijke zin, alsof deze er in het geheel niet was. Het is hiermee gesteld als met het hemelse licht ten aanzien van het licht van de wereld en omgekeerd als met het licht van de wereld ten aanzien van het hemelse licht. Wanneer het hemelse licht verschijnt, is het licht van de wereld als duisternis, wat mij door ondervinding te weten is gegeven. Wanneer men echter in het licht van de wereld is, dan zou het hemelse licht, als het verscheen, als duisternis zijn. Evenzo is het gesteld in het menselijk gemoed; wie alles in de menselijke wijsheid of in de wetenschappen zet, aan hem verschijnt de hemelse wijsheid als een duister niets, maar wie in de hemelse wijsheid is, aan hem is de menselijke wijsheid als iets donker algemeens, dat, wanneer er geen hemelse stralen in waren, als donkerheid zou zijn.

Hemelse Verborgenheden 1837.

Dat de woorden: 'Het geschiedde, de zon was aan het ondergaan', (Genesis 15:12) de tijd en de staat voor de voleinding betekenen, blijkt uit de betekenis van de zon. De zon betekent in de innerlijke zin de Heer en vandaar de hemelse dingen, die tot de liefde en de naastenliefde behoren, dus de liefde en de naastenliefde zelf, zie: (30 tot 38, 1053). Hieruit blijkt duidelijk dat de ondergang van de zon de laatste tijd van de Kerk is, die de voleinding wordt genoemd, wanneer er geen naastenliefde meer is. De Kerk van de Heer wordt ook met de tijden van de dag vergeleken: de eerste leeftijd met de zonsopgang of met de dageraad en de morgen; de laatste leeftijd met de zonsondergang of met de avond en de dan vallende schaduwen, want het is er net zo mee gesteld. Eveneens wordt zij vergeleken met de jaargetijden: de eerste leeftijd met de lente, wanneer alles bloeit; de leeftijd die aan de laatste voorafgaat, met de herfst als alles begint te verstarren; ja zelfs wordt zij ook met metalen vergeleken: de eerste leeftijd wordt de gouden leeftijd genoemd, de laatste de ijzeren en lemen, zoals bij: (Daniël 2:31, 32,33). Hieruit blijkt wat er wordt aangeduid met de woorden 'de zon was aan het ondergaan', en dat het de tijd en de staat voor de voleinding betekent, daar de zon nog niet ondergegaan was. In hetgeen volgt wordt gehandeld over de staat van de Kerk toen de zon was ondergegaan, namelijk dat er toen een duisternis ontstond, en een oven van rook en een fakkel van vuur, die tussen de stukken doorging.

Hemelse Verborgenheden 1861.

Dat de woorden: 'en ziet, een oven van rook', (Genesis 15:17) het allerdichtste valse betekenen, en de woorden 'en een fakkel van vuur', de hitte van de begeerten, blijkt uit de betekenis van de oven van rook, wat het dichte valse is, en uit de betekenis van de fakkel van vuur, wat de hitte van de begeerten is. Er wordt gezegd 'een oven van rook', omdat de mens, voornamelijk de mens van de Kerk die erkentenissen van het ware heeft, en ze nochtans niet erkent, maar ze in zijn hart loochent en zijn leven doorbrengt in dingen die aan het ware tegenovergesteld zijn, niet anders verschijnt dan als een oven van rook; hij zelf als een oven en het valse dat uit haatgevoelens voortkomt als rook. De begeerten waaruit de valsheden voortkomen, verschijnen niet anders dan als fakkels van vuur uit een dergelijke oven, zoals dit ook blijkt uit de uitbeeldingen in het andere leven, waarover de mededelingen uit ondervinding, zie: (814, 1528). Het zijn de begeerten van de haatgevoelens, van de wraaknemingen, van de wreedheden en van de echtbreuken, vooral als die met listen gepaard gaan, die als zodanig verschijnen en zodanig worden. Dat oven, rook en vuur in het Woord dergelijke betekenissen hebben, kan uit de navolgende plaatsen blijken; bij Jesaja: 'Eenieder is een huichelaar en boosdoener, en alle mond spreekt dwaasheid, want de boosheid brandt als vuur, zij verteert doornbos en doornheg, en ontsteekt de struwelen van het woud, en zij verheffen zich als verheffing van de rook; in de verbolgenheid van Jehovah Zebaoth is het land verduisterd, en het volk is geworden als een voedsel van het vuur, de man zal zijn broeder niet verschonen', (Jesaja 9:16, 17, 18), alwaar het vuur voor de haatgevoelens staat, de verheffing van de rook die daaruit opstijgt, voor dergelijke valsheden. De haat is daarmee beschreven dat 'de man zijn broeder niet verschonen zal', wanneer dezen door de engelen aanschouwd worden, verschijnen ze niet anders dan zoals ze hier beschreven zijn. Bij Joël: 'Ik zal wondertekenen geven in de hemelen en op de aarde, bloed en vuur, en zuilen van rook; de zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en verschrikkelijke dag van Jehovah komt', (Joël 2:30), daar staat het vuur voor de haat, de zuilen van rook voor de valsheden, de zon voor de naastenliefde, de maan voor het geloof. Bij Jesaja: 'De aarde zal tot brandend pek worden, het zal 's nachts en overdag niet uitgeblust worden, tot in der eeuwigheid zal zijn rook opgaan', (Jesaja 34:9,10), het brandende pek staat voor de lage begeerten, de rook voor de valsheden. Bij Maleachi: 'Ziet, de dag komt, brandende als een oven, en alle hoogmoedigen en al wie boosheid doet, zullen een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten; hij zal hun noch wortel, noch tak laten', (Maleachi 4:1); brandende oven voor dergelijke dingen; wortel voor de naastenliefde, tak voor de waarheid, die niet overgelaten zullen worden. Bij Hosea: 'Efraïm is schuldig geworden aan de Baäl, hij zal zijn als het kaf dat van de dorsvloer weggevaagd wordt door de wervelwind, en als rook uit de schoorsteen', (Hosea:13:1,3); Efraïm staat voor de mens met inzicht, die zo geworden is. Bij Jesaja: 'De sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werk tot een vonk, en zij zullen beiden tezamen aangestoken worden, en er zal geen uitblusser wezen', (Jesaja 1:31), voor hen die in de eigenliefde zijn, of wat hetzelfde is, in de haat tegen de naaste, namelijk dat zij zo door hun begeerten ontstoken worden. Bij Johannes: 'Babylon is geworden een woonstede van demonen; zij riepen, ziende de rook van haar brand, de rook gaat op in de eeuwen der eeuwen', (Apocalyps 18:2,18; 19:3). Bij dezelfde: 'Zij heeft de put van de afgrond geopend, vandaar is er rook opgegaan uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon werd verduisterd en de lucht van de rook van de put', (Apocalyps 9:2). Bij dezelfde: 'Uit de mond van de paarden ging uit vuur, en rook, en sulfer; door deze werd het derde deel van de mensen gedood, door het vuur en door de rook, en door het sulfer, dat uit hun mond uitging', (Apocalyps 9:17,18). Bij dezelfde: 'Wie het beest aanbidt, die zal drinken uit de wijn van de toorn Gods, die met zuivere wijn gemengd is in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer', (Apocalyps 14:9,10). Bij dezelfde: 'De vierde engel goot zijn fiool uit op de zon, en hem is het gegeven, de mensen met hitte te verzengen door vuur; en zo werden de mensen verhit met grote hitte, en lasterden de naam van God', (Apocalyps 16:8,9), evenzo dat 'zij geworpen werden in de poel des vuurs, die met sulfer brandt', (Apocalyps 19:20; 20:14,15; 21:8). In deze plaatsen staat het vuur voor de begeerten, de rook voor de valsheden, die in de laatste tijden zullen heersen. Deze dingen werden zoals die zich in het andere leven voordoen, door Johannes gezien, toen hem het inwendige gezicht werd geopend; iets dergelijks verschijnt ook aan de geesten en de zielen na de dood. Hieruit kan blijken, wat het helse vuur is, namelijk dat het niets anders is dan haat, wraakzucht en wreedheid, of wat hetzelfde is, eigenliefde, deze dingen worden van dien aard. Indien de mens, als hij zo'n karakter heeft, zolang hij in het lichaam leeft, door de engelen van nabij werd aanschouwd, zo zou hij, hoewel hij zich naar buiten als een ander voordoet, voor hun ogen niet anders verschijnen, dat wil zeggen, zijn haatgevoelens zouden zich vertonen als fakkels van vuur, en de daaruit voortkomende valsheden als ovens van rook. Van dit vuur zegt de Heer bij Matthéüs: 'Alle boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen', (Matthéüs 3:10; Lukas 3:9); onder de goede vrucht wordt de naastenliefde verstaan; wie zich daarvan berooft, houwt zich af en werpt zich in zulk een vuur. Bij dezelfde: 'De Zoon des Mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaren al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen, en zullen dezelve in de oven van vuur werpen', (Matthéüs 13:41,42,50). Bij dezelfde: 'De Koning zal zeggen tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, wat voor de duivel en zijn engelen bereid is', (Matthéüs 25:41). Dat zij in het eeuwige vuur, in de gehenna van het vuur geworpen zullen worden, en dat hun worm niet sterft, en het vuur niet uitblust, (Matthéüs 18:8,9; Markus 9:43 tot 49), heeft dezelfde betekenis. Bij Lukas: 'Zend Lazarus, dat hij het uiterste van zijn vingers in het water doopt, en verkoelt mijn tong, want ik lijdt smarten in deze vlam, (Lukas 16:24). Zij die de verborgenheden van het Rijk van de Heer niet kennen, menen dat de Heer de goddelozen in de hel werpt of in een dergelijk vuur, hetgeen, zoals eerder gezegd, van de haatgevoelens is, maar het is hiermee geheel anders gesteld. Het is de mens zelf en de duivelse geest zelf die zich daarin neerstort. Maar aangezien het zo schijnt, werd er in het Woord naar de schijn, ja zelfs naar de begoochelingen van de zinnen, op deze wijze gesproken, voornamelijk voor de Joden. Dezen wilden hoegenaamd niets begrijpen dan wat overeenkwam met de zin, wat voor begoochelingen het ook mochten zijn. Daarom is de zin van de letter, vooral bij de profeten, vol van dergelijke schijnbaarheden, zoals bij Jeremia: 'Zo zei Jehovah: Richt des morgens recht, en verlost de beroofde uit de hand van de verdrukker, opdat Mijn gramschap niet uitvare als een vuur, en brande, en niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van hun werken', (Jeremia 21:12). Recht richten is het ware zeggen, de beroofde verlossen uit de hand van de verdrukker is het goede van de naastenliefde doen; het vuur staat voor de helse straf voor degenen die dit niet doen, dat wil zeggen, die in het valse van de haat leven. In de zin van de letter wordt een dergelijk vuur en een dergelijke gramschap aan Jehovah toegeschreven, maar in de innerlijke zin is geheel het tegendeel het geval. Desgelijks bij Joël ten aanzien van de dag van Jehovah: 'Vóór hem verteert een vuur, en achter hem ontvlamt een vlam, (Joël 2:1,3). Bij David: 'Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde, kolen brandden uit Hem, en donkerheid was onder Zijn voeten', (Psalm 18:9,10). Bij Mozes: 'Een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in de onderste hel, en zal het land en zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten', (Deuteronomium 32:22), alwaar het vuur voor de haat staat, de rook voor de valsheden die bij de mens zijn. Deze dingen worden Jehovah of de Heer toegeschreven om de eerde aangegeven redenen. Het lijkt in de hellen ook zo alsof Jehovah of de Heer dit doet, maar geheel het tegendeel is het geval. Zij zijn het zelf die zich dit aandoen, omdat ze in het vuur van de haatgevoelens zijn. Hieruit blijkt hoe gemakkelijk de mens, wanneer hij de innerlijke zin van het Woord niet kent, in fantasieën vervallen kan. Evenzo was het gesteld met de rook en het vuur die aan het volk van de berg Sinaï verschenen, toen de Wet verkondigd werd. Jehovah verschijnt immers aan eenieder naar zijn geaardheid, aan de hemelse engelen als Zon, aan de geestelijke engelen als Maan, aan alle goeden als een Licht van veelsoortige heerlijkheid en liefelijkheid, aan de bozen echter als rook en als verterend vuur. Daar nu de Joden, toen de Wet verkondigd werd, niets van naastenliefde bezaten, maar bij hen de eigenliefde en de liefde tot de wereld, dus niets dan boosheden en valsheden, heersten, verscheen Hij hun als rook en vuur, terwijl Hij tezelfdertijd de engelen als Zon en hemels Licht verscheen. Dat Hij de Joden zo verscheen omdat zij van zo'n aard waren, blijkt bij Mozes: 'De heerlijkheid van Jehovah woonde op de berg Sinaï; en het aanzien van de heerlijkheid van Jehovah was als een verterend vuur op het opperste van de berg, voor de ogen van de zonen Israëls', (Exodus 24:16,17). Bij dezelfde: 'De ganse berg Sinaï rookte, omdat Jehovah op dezelfde neerkwam in vuur, en zijn rook ging op, als de rook van een oven, en de ganse berg beefde zeer', (Exodus 19:18), en elders: 'Gij naderde en stond beneden de berg, terwijl de berg brandde van vuur, tot aan het hart van de hemel, er was duisternis en wolken, en donkerheid; en Jehovah sprak tot u uit het midden van het vuur', (Deuteronomium 4:11,12; 5:22). Voorts: 'Het geschiedde als gij de stem uit het midden van de duisternis hoorde, en de berg van vuur brandde, en gij naderde tot mij, en zei: Waarom zouden wij sterven, want dit grote vuur zal ons verteren; indien wij voortvoeren de stem van Jehovah, onze God, langer te horen, zo zouden wij sterven', (Deuteronomium 5:23,24,25). Evenzo zou het gaan, wanneer een ander, die in haat en in vuiligheden van haatgevoelens leeft, de Heer zou zien; hij zou Hem niet anders kunnen zien dan uit de haat en uit de vuiligheden daarvan, die de ontvangers van de van Hem uitgaande stralen van het goede en ware zijn, en die de stralen van het goede en ware in zo'n vuur en in zo'n rook en in zo'n donkerheid veranderen zouden. Uit dezelfde plaatsen blijkt tevens, wat de rook van de oven en de fakkel van vuur is, namelijk het allerdichtste valse en het allervuilste boze, die in de laatste tijden de Kerk in beslag zullen nemen.

Hemelse Verborgenheden 1873.

Er spraken geesten over de innerlijke zin van het Woord; opdat deze zich aan het bevattingsvermogen zou voordoen zoals het is, werd het onderwerp door het voorbeeld verduidelijkt: wat is de vrucht van het geloof? En er werd gezegd dat de goede werken de vrucht van het geloof zijn in de uiterlijke zin of in de zin van de letter, maar dat deze werken onbezield zijn, wanneer zij niet van de naastenliefde uitgaan, en dat zo in de dichtst nabijgelegen inwendige zin de vrucht van het geloof de naastenliefde is. Omdat echter de naastenliefde of de liefde jegens de naaste uit de liefde tot de Heer moet voortkomen, zo is deze de vrucht van het geloof in de innerlijke zin; en daar alle liefde van de Heer komt, is zij de Heer Zelf; want op deze wijze is in het goede werk de naastenliefde, in deze de liefde tot de Heer, en in deze de Heer Zelf.

Hemelse Verborgenheden 1877.

De zielen of geesten die in de wereld der geesten zijn, vooral de boze, behouden aanvankelijk datgene wat ze in het leven van hun lichaam gehad hebben, namelijk aardse, lichamelijke en wereldse dingen, en daarmee de beginselen die zij aangenomen hadden. Onder hen zijn diegenen die niets willen horen van de innerlijke zin van het Woord, maar alleen van de letterlijke zin, ja zelfs in die mate, dat ze geloven dat de twaalf apostelen zullen zitten op twaalf tronen en richten over de twaalf stammen van Israël. Evenzo, dat geen anderen dan alleen de armen, de ellendigen en zij die vervolgingen verduurden de hemel kunnen binnengaan, terwijl toch zowel rijken als machtigen daar zijn, die in naastenliefde en in het geloof in de Heer hebben geleefd. Daar zulke geesten uit eigen verdiensten op de hemel aanspraak maken, zag ik hen heen en weer lopen, en overal waar zij komen, de dingen bespotten die tot de innerlijke zin van het Woord behoren, omdat deze tegen hun overredingen en begeerten indruisen. Zij willen immers de hemel verdienen en boven anderen worden voorgetrokken. Maar zij worden vergeleken met de zieke en schadelijke stoffen die in het bloed vloeien en zich in de aderen en slagaderen verbreiden en de bloedmassa verontreinigen.

Hemelse Verborgenheden 1880.

Wat overigens engelen en geesten in het algemeen betreft, die allen zielen van mensen zijn die na de dood van het lichaam verder leven; zij hebben veel fijner zintuigen dan de mensen, te weten: gezicht, gehoor, reuk en tastzin, maar niet de smaak. Maar wat de geesten niet kunnen, en nog minder de engelen, dat is met hun gezichtsvermogen, dat wil zeggen met het gezicht van de geest, iets zien van wat er in de wereld is. Voor hen is namelijk het licht van de wereld of het zonlicht, als een dichte duisternis. Dit geldt ook voor de mens met zíjn gezichtsvermogen, dat wil zeggen met het gezicht van het lichaam; hij kan niets zien van wat er in het andere leven is, want voor hem is het licht van de hemel of het hemelse licht van de Heer, als een dichte duisternis. Niettemin kunnen geesten en engelen als het de Heer behaagt, de dingen die in de wereld zijn, door de ogen van mensen zien, maar de Heer staat dat aan geen ander toe dan alleen aan hem, aan wie Hij het vergunt met geesten en engelen te spreken en met hen samen te zijn. Door mijn ogen was het hun gegeven de dingen te zien die in de wereld zijn, en wel zo duidelijk als ik zelf zie en ook de mensen die met mij spraken, te horen. Het kwam soms voor dat enigen van hen hun vrienden die ze in het leven van het lichaam hadden gehad, door mij, zo geheel en al aanwezig zagen net als vroeger en hier versteld van stonden. Ze zagen ook hun echtgenoten en kinderen en wilden dat ik hun zeggen zou, dat zij daar waren en hen zagen en dat ik hun zou meedelen over hun toestand in het andere leven. Het was mij echter verboden om hun te zeggen en te openbaren dat ze op deze wijze gezien waren. De reden was, dat ze gezegd zouden hebben dat ik gek was, of gedacht dat het hersenschimmen van mij waren. Het was mij namelijk bekend, dat zij, hoewel ze het met de mond beaamden, toch in hun hart niet geloofden dat er geesten bestaan en dat de doden zijn opgestaan. Toen mij voor het eerst het inwendig gezicht geopend werd en zij door mijn ogen de wereld zagen, en de dingen die in de wereld zijn, waren de geesten en engelen dermate verbaasd dat ze dit het allergrootste wonder noemden. Ze werden van een nieuwe vreugde vervuld omdat op deze wijze gemeenschap van de aarde met de hemel, en van de hemel met de aarde plaats zou vinden. Maar deze verrukking hield slechts enkele maanden aan en toen ze er eenmaal vertrouwd mee waren geraakt, verwonderde het hun niets meer. Ik ben onderricht dat geesten en engelen bij andere mensen hoegenaamd niets zien van hetgeen in de wereld is, maar alleen de gedachten en neigingen van degenen bij wie ze zijn, waarnemen. Hieruit kan men dus opmaken dat de mens zo is geschapen, dat terwijl hij op aarde onder de mensen leeft, tegelijkertijd ook in de hemel onder de engelen zou kunnen leven, en omgekeerd, zodat de hemel en de aarde tezamen zouden zijn en als één samenwerken, en dat de mensen zouden weten wat er in de hemel plaatsvindt, en de engelen wat er in de wereld gebeurt. En ook dat mensen als ze overleden, dan zouden overgaan van het Rijk van de Heer op aarde naar het Rijk van de Heer in de hemelen, niet als in een ander rijk, maar als in hetzelfde, waarin ze zich bevonden toen ze in het lichaam leefden. Maar aangezien de mens zo lichamelijk is geworden, heeft hij de hemel voor zich toegesloten.

Hemelse Verborgenheden 1881.

Geesten zijn zeer verontwaardigd, ja zelfs boos, wanneer hun gezegd wordt, dat de mensen niet geloven dat zij zien, horen en met de tastzin voelen. Ze zeiden dat de mensen toch weten moesten, dat er zonder zintuiglijk bewustzijn geen leven is, en dat hoe fijner de zinnen zijn, des te voortreffelijker het leven is; en dat de voorwerpen die ze met de zinnen waarnemen, geheel op hetzelfde niveau zijn overeenkomstig de voortreffelijkheid van hun zintuigen, en dat de uitbeeldingen die van de Heer komen, werkelijkheden zijn, want daaruit komen alle dingen voort die in de natuur en in de wereld zijn, zie: (1632). Dit zijn woorden waarmee geesten hun verontwaardiging uiten, als ze verklaren dat zij veel beter en voortreffelijker voelen dan de mens.

Hemelse Verborgenheden 1887.

De goddelijke ingeving sluit dit in, dat in elk deel van het Woord, zowel in de historische als in de overige gedeelten, hemelse dingen belsoten liggen die tot de liefde of het goede behoren, en geestelijke dingen die tot het geloof of het ware behoren, dus goddelijke dingen. Want wat door de Heer wordt ingegeven, daalt van Hem neer, en wel door de engelenhemel, en zo door de wereld van de geesten, tot aan de mens, bij wie het zich zo verhoudt als het in de letter is. Maar geheel anders is het in zijn eerste oorsprong; in de hemel is nooit enige wereldse historische vermelding, maar alles is uitbeelding van goddelijke dingen, en niets anders wordt men daar gewaar, zoals ook daaruit bekend kan zijn, dat de dingen die daar zijn, onuitsprekelijk zijn. Wanneer dus de historische vermeldingen geen uitbeeldingen van goddelijke dingen en dus niet hemels waren, zouden ze nooit van God ingegeven kunnen zijn. Van welke aard het Woord in de hemelen is, wordt alleen uit de innerlijke zin kenbaar, want de innerlijke zin is het Woord van de Heer in de hemelen.

Hemelse Verborgenheden 1919.

… Uit de innerlijke gewaarwording komt de gedachte; het denken van degenen die in de innerlijke gewaarwording zijn, komt nergens anders vandaan. Toch is de innerlijke gewaarwording iets anders dan de gedachte. Opdat men weet, dat het iets anders is, dient ter verduidelijking het geweten. Het geweten is iets algemeens en dus duistere inspraak van die dingen die door de hemelen van de Heer uit invloeien. Wat invloeit vertoont zich in de inwendig redelijke mens, en wel als in een wolk, en deze wolk bestaat uit de schijnbaarheden en begoochelingen ten aanzien van de waarhden en goedheden van het geloof. Het denken is echter van het geweten onderscheiden; maar het vloeit uit het geweten voort, want zij die een geweten hebben, denken en spreken daarnaar, en de gedachte is nauwelijks iets anders dan de ontwikkeling van de dingen die tot het geweten behoren. Het is dus de verdeling ervan in voorstellingen en daarna in woorden. Hierdoor komt het dat zij die een geweten hebben door de Heer daartoe gehouden worden om goed te denken over de naaste en daarvan afgehouden worden om boos te denken. Daarom is het geweten slechts mogelijk bij hen die de naaste liefhebben als zichzelf, en goed denken over de waarheden van het geloof …

Hemelse Verborgenheden 2027.

… Diegenen hebben niet het geloof van de naastenliefde, die verdienste stellen in de daden van hun leven, want zij willen niet door de gerechtigheid van de Heer maar uit zichzelf zalig worden. Dat er in hen geen geloof van de naastenliefde is, dat wil zeggen geen naastenliefde, blijkt hieruit, dat zij zichzelf boven anderen verkiezen, en dus zichzelf en niet de anderen op het oog hebben, dan alleen voor zover dezen hen dienen. Degenen die dit niet willen, verachten of haten zij. Op deze wijze ontbinden zij door de eigenliefde en verbinden nooit en verwoesten op die manier wat hemels is, namelijk de wederkerige liefde, die het firmament van de hemel is. Daaraan ontlenen de hemel zelf en de gehele aaneengeslotenheid en eensgezindheid hun bestaan en voortbestaan. Want alles wat in het andere leven de eensgezindheid verstoort, is tegen de orde van de hemel zelf, dus beraamt de vernietiging van het geheel. Van zo'n aard zijn zij die in de daden van hun leven verdienste stellen en zich de gerechtigheid toe-eigenen. Tot dezen behoren velen in het andere leven, ze hebben soms een blinkend gelaat zoals van fakkels, maar dit is een dwaallicht, dat uit de zelfrechtvaardiging voortkomt, en zij zijn koud. Men ziet hen soms heen en weer rennen en hun eigen verdienste staven uit de letterlijke zin van het Woord, terwijl ze de waarheden die tot de innerlijke zin behoren, haten, (1877). Hun sfeer is er een van zelfbetrachting, en daarom vernietigend voor alle voorstellingen die niet op henzelf zijn gericht als op een soort van godheid. De sfeer van vele van zulke geesten tezamen is zo verscheurend, dat daarin niets dan hatelijkheid en vijandigheid is, want daar eenieder hetzelfde wil, namelijk gediend worden, doodt hij de ander in zijn hart. Sommigen van hen zijn onder diegenen, die zeggen dat ze gewerkt hebben in de wijngaard van de Heer, terwijl ze toch vroeger voortdurend op eigen voortreffelijkheid, roem en eerbewijzen en ook op gewin bedacht waren, en zo doorgaande ook van zins waren de grootsten in de hemel te worden, ja zelfs door de engelen gediend te worden. Hierbij verachtten zij in hun hart de anderen bij zichzelf vergeleken, en hadden dus geen wederkerige liefde waarin de hemel bestaat, maar zijn met eigenliefde vervuld, waarin zij de hemel stellen, want ze weten niet wat de hemel is, (450, 451, 452, 1594, 1679). Dezen zijn onder hen die de eersten willen zijn, maar de laatsten worden, (Matthéüs 19:30, 20:16; Markus 10:31), en die zeggen dat ze door de naam van de Heer geprofeteerd en vele krachten hebben gedaan, maar tot wie gezegd wordt: 'Ik ken u niet', (Matthéüs 7:22,23). Anders is het gesteld met hen die uit de eenvoud van het hart gemeend hebben de hemel te verdienen, en in naastenliefde hebben geleefd. Dezen beschouwden het verdienen van de hemel als een belofte en erkennen ook geredelijk dat dit tot de barmhartigheid van de Heer behoort; want het leven van de naastenliefde brengt dit met zich mee; de naastenliefde zelf heeft al het ware lief.

Hemelse Verborgenheden 2049.

Dat 'van allen zoon in den vreemde geboren, die niet van uw zaad is', (Genesis 17:12) hen betekent die buiten de Kerk zijn, blijkt uit de betekenis van de in de vreemde geboren zoon, zijnde diegenen die niet binnen de Kerk geboren zijn en dus niet in de goedheden en waarheden van het geloof zijn, omdat ze niet in de erkentenissen ervan zijn. In de vreemde geboren zonen betekenen ook hen die in de uiterlijke godsdienst zijn, (1097), maar dan wordt gehandeld over hen die binnen de Kerk zijn; hier echter, daar van de Kerk van de Heer in het algemeen sprake is, zijn de in de vreemde geboren zonen zij die niet binnen de Kerk geboren zijn, zoals de heidenen. De heidenen, die buiten de Kerk zijn, kunnen in waarheden zijn, maar niet in waarheden van het geloof. Hun waarheden zijn zoals de voorschriften van de tien geboden, dat men zijn ouders moet eren, dat men niet mag doden, stelen, echtbreken, begeren wat anderen toebehoort, verder ook dat men de Godheid vereren moet. De waarheden van het geloof zijn echter alle leerstellingen ten aanzien van het eeuwige leven, het Rijk van de Heer en de Heer; deze kunnen hun niet bekend zijn, daar zij het Woord niet hebben. Dezen zijn het die worden aangeduid door de in de vreemde geboren zonen, die niet van het zaad zijn en die met genen besneden moeten worden, dat wil zeggen, gereinigd. Hieruit blijkt duidelijk, dat dezen evenzeer gereinigd kunnen worden als zij die binnen de Kerk zijn, wat door het besnijden werd uitgebeeld. Zij worden gereinigd wanneer zij de vuile liefden van zich werpen en onder elkaar in naastenliefde leven, want dan leven zij in waarheden - want alle waarheden behoren tot de naastenliefde. Maar in de waarheden, waarvan eerder sprake was, en wanneer zij in deze waarheden leven, nemen zij de waarheden van het geloof geredelijk aan, zo niet in het leven van het lichaam, dan toch in het andere leven, daar de waarheden van het geloof de inwendige waarheden van de naastenliefde zijn. Zij beminnen dan niets meer dan in de inwendige waarheden van de naastenliefde te worden toegelaten. Het zijn de inwendige dingen van de naastenliefde, waarin het Rijk van de Heer bestaat, zie: (932, 1032, 1059, 1327, 1328, 1366). In het andere leven maakt de wetenschap van de erkentenissen van het geloof niets uit, want de allerergsten, ja zelfs de helse geesten kunnen in de wetenschap daarvan zijn, soms meer dan de anderen, maar het is het leven overeenkomstig de erkentenissen, want alle erkentenissen hebben het leven tot einddoel, Wanneer die niet ter wille van het leven geleerd werden, zouden ze van geen nut zijn, dan alleen om er over te kunnen spreken, en vandaar in de wereld voor geleerd door te gaan, tot ereposten verheven te worden en roem en rijkdommen te verwerven. Hieruit blijkt dat het leven van de erkentenissen geen ander is dan het leven van de naastenliefde, want de wet en de profeten, dat wil zeggen, de gehele leer van het geloof met al haar erkentenissen bestaat in de liefde tot de Heer en in de liefde jegens de naaste, zoals eenieder duidelijk is uit de woorden van de Heer bij: (Matthéüs 22:34 tot 39) en bij: ( Markus 12:28 tot 35). Maar de leerstellingen of erkentenissen van het geloof zijn niettemin hoogst noodzakelijk voor de vorming van het leven van de naastenliefde, dat zonder deze niet gevormd kan worden. Het is dit leven dat na de dood zalig maakt en geenszins enig leven van het geloof zonder deze, want zonder de naastenliefde is er geen leven van het geloof bestaanbaar. Zij die in het leven van de liefde en van de naastenliefde zijn, zijn in het leven van de Heer, niemand kan met Hem door een ander leven verbonden worden; hieruit blijkt ook, dat de waarheden van het geloof nooit erkend kunnen worden, dat wil zeggen, dat de erkenning van die waarheden, waarover men spreekt, alleen uitwendig en met de mond mogelijk is, wanneer die niet in de naastenliefde zijn ingeplant, want inwendig of met het hart worden ze geloochend. Alle waarheden immers hebben, zoals gezegd, de naastenliefde tot einddoel en wanneer deze daarin niet woont, worden deze innerlijk verworpen. De inwendige dingen vertonen zich zoals deze zijn, wanneer de uitwendige dingen worden weggenomen, zoals in het andere leven gebeurt, dat wil zeggen dat ze zich geheel en al tegenovergesteld aan alle waarheden van het geloof vertonen. Het is volslagen onmogelijk om in het andere leven een leven van naastenliefde of van de wederkerige liefde te ontvangen, wanneer men dat niet in het leven van het lichaam gehad heeft, maar het leven van het lichaam in de wereld blijft de mens na de dood bij; want zij verafschuwen en haten deze liefde. Wanneer zij alleen maar een gezelschap naderen waar het leven van de wederkerige liefde heerst, beven en schrikken zij en worden met kwellingen aangedaan. Zulke mensen worden, hoewel ze binnen de Kerk geboren zijn, 'in de vreemde geboren zonen met de voorhuid des harten en met de voorhuid des vlezes' genoemd, die niet in het heiligdom mogen worden toegelaten, dat wil zeggen, in het Rijk van de Heer; zij zijn het ook die worden bedoeld bij Ezechiël: 'Geen in de vreemde geboren zoon, behept met de voorhuid des harten en met de voorhuid des vlezes zal in het heiligdom ingaan', (Ezechiël 44:7,9); en bij dezelfde: 'Wien zijt gij alzo gelijk geworden in heerlijkheid en in grootheid, onder de bomen van Eden, en gij zult neergevoerd worden, met de bomen van Eden in de lagere aarde, in het midden der met de voorhuid behepten zult gij liggen met de door het zwaard doorboorden, (Ezechiël 31:18), alwaar sprake is van Farao, door wie de wetenschappen in het algemeen worden aangeduid, (1164, 1165, 1186, 1462). De bomen van Eden, waarmee zij zullen neervaren in de lagere aarde, betekenen eveneens de wetenschappen, maar de wetenschappen van de erkentenissen van het geloof. Hieruit blijkt nu duidelijk, wat de met de voorhuid behepte in de innerlijke zin is, namelijk hij die in vuile liefden en in het leven daarvan is.

Hemelse Verborgenheden 2083.

… De Heer heeft uit eigen macht alles wat menselijk bij Hem was, Goddelijk gemaakt, dus niet alleen het redelijke, maar ook het inwendig en uitwendig zinlijke en zo dus het lichaam zelf. Op deze wijze heeft Hij het Menselijke met het Goddelijke verenigd. Dat niet alleen het redelijke, maar ook het zinlijke en dus het gehele lichaam, eveneens Goddelijk en Jehovah is geworden, werd eerder aangetoond. Het kan eenieder hieruit duidelijk worden dat alleen Hij naar het lichaam uit de doden is opgestaan en gezeten is aan de rechterhand van de goddelijke macht, zowel ten aanzien van al het Goddelijke als ten aanzien van al het Menselijke. Aan de rechterkant van de goddelijke macht zitten, betekent, alle macht hebben in de hemelen en op aarde.

Hemelse Verborgenheden 2143.

Dat de woorden 'Jehovah verscheen hem', de innerlijke gewaarwording van de Heer betekenen, kan hieruit blijken, dat de historische vermeldingen van het Woord niets anders dan uitbeeldingen zijn, en de woorden daar niets dan uitbeeldingen van die dingen die in de innerlijke zin besloten liggen. Hier wordt in de innerlijke zin over de Heer gehandeld en over Zijn innerlijke gewaarwording, wat daarmee werd uitgebeeld, dat Jehovah aan Abraham verscheen. Elke verschijning, elke toespraak en elke gebeurtenis in de historische gedeelten van het Woord zijn van dien aard. Wat zij echter uitbeelden, komt niet tevoorschijn dan alleen wanneer men de historische vermeldingen niet anders beschouwt dan als voorwerpen, zoals die van het gezicht, waardoor men aanleiding of gelegenheid krijgt aan edeler dingen te denken, zoals bijvoorbeeld door tuinen wanneer men ze ziet, aan de vruchten, aan het nut daarvan, verder aan de daaruit voortvloeiende bekoringen van het leven, en nog hoger, aan de paradijselijke of hemelse gelukzaligheid. Wanneer men aan zulke dingen denkt, ziet men weliswaar de afzonderlijke voorwerpen van de tuin, maar zo oppervlakkig dat men er geen aandacht aan schenkt. Zo is het ook met het Woord gesteld; wanneer men daarbij aan de hemelse en geestelijke dingen denkt die in de innerlijke zin zijn, worden de historische vermeldingen en de woorden zelf niet anders beschouwd.

Hemelse Verborgenheden 2249.

Dat de woorden 'Abraham trad toe en zei', (Genesis 18:23); het denken van de Heer betekenen uit het Menselijke, welk denken zich nauwer verbond met het Goddelijke, volgt uit hetgeen voorafgaat, waar gehandeld wordt over het denken van de Heer over het menselijk geslacht, aldus zonder verklaring. Dat in dit hoofdstuk in de innerlijke zin de staat van het denken van de Heer en Zijn innerlijk gewaarworden zo uitvoerig beschreven wordt, en in het begin zo uitvoerig de staat van de verbinding van het Menselijke van de Heer met het Goddelijke, zal de mens wel mogelijk als van niet zo'n groot belang toeschijnen, maar toch is het van het grootste gewicht. Voor de engelen immers, voor wie de innerlijke zin het Woord is, vertonen deze dingen zich levend met hun uitbeeldingen in de allerschoonste vorm, en ook de ontelbare dingen die daaruit voortvloeien en hun gelijkenis dragen en betrekking hebben op de verbinding van de Heer met de hemel, en op de ontvangst van Zijn Goddelijke in hun menselijke, want de engelenvoorstellingen zijn van dien aard, dat deze dingen hen boven alle andere bekoren en zij deze als allerbekoorlijkst gewaarworden. Vandaar worden zij ook meer en meer verlicht en bevestigd ten aanzien van de vereniging van het Menselijk Wezen van de Heer met het Goddelijk Wezen. Want engelen zijn zij die mensen zijn geweest en toen zij mensen waren, konden zij niet anders dan over de Heer denken als mens, en over de Heer als God, verder over de Goddelijke Drievuldigheid, en zichzelf verschillende voorstellingen vormen, hoewel zij toen niet wisten van welke aard zij waren. Want de hemelse verborgenheden brengen dit met zich mee, dat hoewel ze alle bevatting te boven gaan, eenieder zich daarvan de een of andere voorstelling maakt, want nooit kan er niets in het geheugen worden vastgehouden, nog minder iets van de gedachte binnentreden, tenzij door middel van enige voorstelling, op de een of andere wijze gevormd. Daar voorstellingen niet anders gevormd konden worden dan naar de dingen die in de wereld zijn, of naar dingen overeenkomstig die welke in de wereld zijn, en destijds uit de onbegrepen dingen vanzelf begoochelingen invloeiden, welke in het andere leven de voorstellingen van de gedachte - die dan innerlijk zijn - van het ware en het goede van het geloof vervreemden, wordt, opdat dergelijke dingen verstrooid mogen worden, in dit hoofdstuk, in de innerlijke zin daarvan, zoveel gehandeld over de verbinding van het Mensleijke van de Heer met het Goddelijke, en over Zijn innerlijk gewaarworden en denken. Wanneer dan het Woord gelezen wordt, vertonen deze dingen zich zo aan de innerlijke gewaarwording van de engelen, dat de vorige voorstellingen, gevormd uit andere bronnen en uit overwegingen die daaruit gemakkelijk voortkomen, geleidelijk verstrooid worden. Nieuwe voorstellingen worden dan ingegeven die gelijkvormig zijn aan het licht van de waarheid waarin de engelen zijn. Dit vindt meer plaats bij de geestelijke engelen dan bij de hemelse, want zij worden overeenkomstig de reiniging van de voorstellingen vervolmaakt tot de ontvangst van de hemelse dingen. Dat de hemel niet rein is voor de Heer, is bekend; en dat zij voortdurend vervolmaakt worden, is waar.

Hemelse Verborgenheden 2307.

Met betrekking tot de kleine kinderen heb ik met engelen hierover gesproken, of zij rein van boosheden zijn, daar ze geen daadwerkelijk boze hebben zoals de volwassenen. Er werd mij gezegd dat zij evenzeer in het boze zijn, ja zelfs dat ook zij niet anders dan boos zijn, maar dat ze, evenals alle engelen door de Heer, van het boze worden afgehouden en in het goede gehouden, dermate dat het hun toeschijnt, alsof zij uit zichzelf in het goede waren. Daarom worden dan ook de kleine kinderen, nadat ze in de hemel volwassen zijn geworden, opdat ze niet in de valse mening verkeren als zou het goede bij hen uit hen zelf voortkomen en niet uit de Heer, soms in hun eigen boosheden, die zij erfelijk ontvingen, teruggebracht en daarin gelaten, totdat ze weten, erkennen en geloven, dat het hiermee zo is gesteld. In een dergelijke mening verkeerde ook iemand die als klein kind was gestorven maar in de hemel was opgegroeid, en daarom werd hij teruggebracht in het hem ingeboren leven van de boosheden en het werd mij gegeven door zijn sfeer waar te nemen, dat het in zijn gemoedsaard lag om over anderen te heersen en dat hij in wulpse dingen niets verkeerds zag; dit waren de boosheden die hij van zijn ouders had geërfd, maar omdat hij had erkend, van dien aard te zijn, werd hij weer onder de engelen ontvangen, waarbij hij eerder in hun midden was geweest.

Hemelse Verborgenheden 2310.

Er is reeds herhaaldelijk eerder gehandeld over de innerlijke zin van het Woord; maar ik weet dat weinigen geloven kunnen dat er een dergelijke zin schuilt in elke bijzonderheid van het Woord, niet alleen in de profetische, maar ook in de historische gedeelten. Dat er een dergelijke zin schuilt in de profetische gedeelten, kan gemakkelijker worden geloofd, omdat daarin niet zo'n verband heerst, en daarin tevens vreemde uitdrukkingen voorkomen. Vandaar kan eenieder vermoeden dat er iets verborgens in besloten ligt; maar dat er iets dergelijks in de historische gedeelten is vervat, treedt niet zo gemakkelijk aan de dag, zowel omdat dit tot dusver in niemands gemoed is opgekomen, als wel omdat de historische gedeelten van dien aard zijn dat ze de aandacht op zichzelf gericht houden en zo het gemoed afleiden van de gedachte dat er iets diepers in verborgen ligt. Verder ook, omdat de historische vermeldingen werkelijk zo zijn, als ze zijn meegedeeld. Niettemin moet eenieder wel noodzakelijkerwijs tot de slotsom komen, dat ook binnenin deze gedeelten het hemelse en het Goddelijke is, hetwelk er niet uit schijnt, ten eerste, omdat het Woord van de Heer door de hemel tot de mens werd neergezonden en dat het dus anders is in zijn oorsprong. Van welke aard die oorsprong is, en dat deze zozeer verschilt en afstaat van de letterlijke zin, dat hij niet gezien, en als gevolg daarvan niet erkend wordt door hen die louter werelds zijn, zal door vele dingen in hetgeen volgt worden aangetoond. Ten tweede, omdat het Woord, daar het Goddelijk is, niet alleen voor de mens werd geschreven, maar ook voor de engelen bij de mens, opdat het niet alleen het menselijk geslacht tot nut zou strekken, maar ook tot nut van de hemel; en dat het Woord zo een middelaar is, die hemel en aarde verenigt. Deze vereniging vindt plaats door de Kerk, en wel door het Woord in de Kerk, dat derhalve van dien aard is, en onderscheiden van elk ander geschrift. Wat in het bijzonder de historische gedeelten betreft, wanneer deze niet eveneens goddelijke en hemelse dingen, los van de letter, bevatten, zouden deze nooit als het geïnspireerde Woord erkend kunnen worden door wie dieper doordenkt, en zo ten aanzien van elke jota. Zou iemand zeggen dat er in het Goddelijk Woord melding gemaakt zou worden van de afschuwelijke zaak van de dochters van Loth, waarover aan het einde van dit hoofdstuk; van Jakob, dat hij roeden schilde en tot het wit ontblootte, en ze leidde in de drinkbakken, opdat de kudde verschillend gekleurde, gespikkelde en geplekte jongen zou baren, en nog vele andere dingen in de overige boeken van Mozes, Jozua, Richteren, Samuël en Koningen, die van geen belang zouden zijn, en waaromtrent het eveneens van geen belang zou zijn of men ze al dan niet wist, tenzij ze diep in zich een goddelijke verborgenheid bevatten. Wanneer het dit niet was, zouden ze in niets verschillen van andere historische vermeldingen, die soms zo geschreven werden, dat zij meer schijnen te kunnen boeien. Daar de geleerde wereld niet weet, dat er goddelijke en hemelse dingen verborgen liggen ook binnen in de historische gedeelten van het Woord, zouden zij, wanneer het niet was uit een heilige verering, die hun van kindsbeen af voor de boeken van het Woord was ingeprent, er ook gemakkelijk toe komen om in hun hart te zeggen, dat het Woord niet heilig is, wanneer het niet was om deze verering, terwijl het toch niet hierdoor is, maar omdat er een innerlijke zin is, die hemels en Goddelijk is en die bewerkt, dat het de hemel met de aarde verenigt, dat wil zeggen, het gemoed van de engelen met het menselijk gemoed, en zo dit met de Heer.

Hemelse Verborgenheden 2318.

… In het vorige - 18de- hoofdstuk werd gehandeld over de verkeerde staat van het menselijk geslacht en over de smart van de Heer en tussenkomst voor hen, die in het boze waren, maar toch in enig goeds en waars; vandaar wordt er nu, als vervolg daarop, gehandeld over de zaligmaking van hen die in enig goeds en waars zijn. Het zijn dezen, die in dit hoofdstuk door Loth worden uitgebeeld; verder ook over de ondergang van hen, die geheel en al in het boze en valse zijn; dezen zijn het die worden aangeduidt met Sodom en Amora (Gomorrah).

Hemelse Verborgenheden 2333.

Dat de woorden: 'en in de morgen zult Gij opstaan, en gaan Uws weegs', (Genesis 19:2) de bevestiging in het goede en ware betekenen, kan blijken uit de betekenis van 'in de morgen opstaan', verder uit de betekenis van, 'des weegs gaan'. De morgen betekent in het Woord het Rijk van de Heer, en al wat tot het Rijk van de Heer behoort, dus voornamelijk het goede van de liefde en van de naastenliefde, wat uit het Woord bevestigd zal worden bij vers 15. De weg betekent echter het ware, zie: (627); vandaar wordt er gezegd, dat zij, nadat ze in zijn huis waren geweest en daar de nacht hadden doorgebracht - waarmee werd aangeduid, dat zij woning hadden in het goede van de naastenliefde bij hem - in de morgen zouden opstaan en huns weegs gaan, waarmee wordt aangeduid, het zo bevestigd zijn in het goede en ware. Hieruit zowel als uit het overige, blijkt duidelijk, hoe ver de innerlijke zin verwijderd is van de zin van de letter, en vandaar hoe onzichtbaar, voornamelijk in de historische gedeelten van het Woord; en dat dit niet tevoorschijn komt, wanneer niet elk woord naar zijn bestendige betekenis in het Woord wordt uitgelegd. Wanneer daarom de voorstellingen in de zin van de letter worden gehouden, verschijnt de innerlijke zin niet anders dan als iets duisters en donkers; maar wanneer omgekeerd de voorstellingen in de innerlijke zin worden gehouden, verschijnt desgelijks de zin van de letter duister, ja zelfs voor de engelen als niets, want de engelen zijn niet langer in wereldse en lichamelijke dingen, zoals die van de mens zijn, maar in geestelijke en hemelse dingen, waarin de woorden van de zin van de letter op wonderbaarlijke wijze veranderd worden, wanneer deze opstijgt van de mens die leest, tot de sfeer waarin de engelen zijn, dat wil zeggen, tot de hemel. Dit geschiedt door de overeenstemming van de geestelijke dingen met de wereldse, en van de hemelse met de lichamelijke. Deze overeenstemming is een hoogst bestendige, maar van welke aard, is nog niet onthuld dan thans in de uitlegging van de woorden, namen en getallen naar de innerlijke zin in het Woord. Opdat men weet van welke aard deze overeenstemming is, of wat hetzelfde is, op welke wijze de wereldse en lichamelijke voorstellingen in overeenstemmende geestelijke en hemelse voorstellingen overgaan, wanneer die tot de hemel worden opgeheven, dient als voorbeeld ; 'morgen' en 'weg'. Wanneer het woord 'morgen' wordt gelezen, zoals hier 'in de morgen opstaan', vatten de engelen niet een voorstelling van de morgen van een dag, maar de voorstelling van de morgen in de geestelijke zin. Iets dergelijks als bij Samuël: 'De Rotssteen Israëls, Hij is gelijk het licht van de morgen wanneer de zon opgaat, een morgen zonder wolken', (2 Samuël 23:4); en bij Daniël: 'De heilige zei tot mij: Tot de avond wanneer het morgen wordt, twee duizend drie honderd', (Daniël 8:14,26). Zo worden zij in plaats van 'morgen' de Heer gewaar, of Zijn Rijk, of de hemelse dingen van de liefde en van de naastenliefde, en wel deze met een verscheidenheid overeenkomstig het verband van de dingen in het Woord, dat gelezen wordt. Zo kunnen zij, waar het woord 'weg' wordt gelezen, zoals hier 'uws weegs gaan', niet enige voorstelling van een weg hebben, maar een andere voorstelling die geestelijk of hemels is, namelijk een dergelijke als bij Johannes, waar de Heer zegt: 'Ik ben de weg en de waarheid', (Johannes 14:6), en die bij David: 'Jehovah, maak mij Uwe wegen bekend, leid mijn weg in waarheid', (Psalm 25:4,5), en bij Jesaja: 'Hij maakte Hem bekend de weg der inzichten', (Jesaja 40:14). Zo worden zij in plaats van de weg het ware gewaar, en dit zowel in de historische als in de profetische gedeelten van het Woord. De engelen immers bekommeren zich niet meer om historische dingen, daar deze in het geheel niet met hun voorstellingen stroken, vandaar dat zij in plaats daarvan dergelijke dingen gewaarworden, die tot de Heer en Zijn Rijk behoren, en die ook goed geordend en wel aaneengeschakeld verband in de innerlijke zin op elkaar volgen. Daarom, opdat het Woord er ook voor de engelen is, zijn alle historische vermeldingen daarin van uitbeeldende aard en is elk woord een aanduiding van dergelijke dingen. Deze bijzonderheid heeft het Woord op elk ander geschrift voor.

Hemelse Verborgenheden 2379.

Dat de woorden: 'Zij leidden Loth tot zich in het huis binnen', (Genesis 19:10); betekenen, dat de Heer hen beschermt die in het goede van de naastenliefde zijn, blijkt uit de uitbeelding van Loth, die degenen zijn die in het goede van de naastenliefde zijn; en uit de betekenis van 'tot zich in het huis leiden', hetgeen wil zeggen: beschermen. In het huis geleid worden betekent in het goede geleid worden, en zij die in het goede worden geleid, en die in de hemel worden geleid, worden tot de Heer geleid. Vandaar zijn ze veilig voor alle verzoeking wat hun ziel betreft. De mens die in het goede is, ten aanzien van de ziel, is in gezelschap met engelen, en dus, terwijl hij in het lichaam leeft, is hij niettemin in de hemel, hoewel hij dit niet weet en ook niet de vreugde van de engelen kan waarnemen, daar hij in lichamelijke dingen en in voorbereiding is, zie: [1277].

Hemelse Verborgenheden 2396.

Dat de woorden: 'omdat hun geroep groot geworden is voor Jehovah', (Genesis 19:13) betekenen, omdat het valse uit het boze zo groot is, kan blijken uit de betekenis van het geroep (2240), betreffende het valse; en hier het valse uit het boze, (2351).

Hemelse Verborgenheden 2476.

Maar met het uiterlijk geheugen is het aldus gesteld, dat hij alle dingen daarvan tot in bijzonderheden met zich mee draagt, maar het is hem dan niet toegestaan dit te gebruiken, maar alleen het innerlijk geheugen. De redenen hiervoor zijn vele: de eerste is, zoals gezegd, deze, dat hij in het andere leven door het innerlijk geheugen kan spreken en omgaan met allen in het heelal. De tweede, dat dit geheugen de geest eigen is en aangemeten aan zijn staat waarin hij dan is; want de uiterlijke dingen, namelijk de wetenschappelijke, wereldse en lichamelijke, zijn aangemeten aan de mens en stemmen overeen met zijn staat, wanneer hij in de wereld en in het lichaam is; maar de innerlijke dingen, namelijk de redelijke, geestelijke en hemelse, zijn aangemeten aan en stemmen overeen met zijn geest.

Hemelse Verborgenheden 2477.

Ik hoorde geesten eens onder elkaar spreken over, dat wanneer eenmaal iets, onverschillig wat, als beginsel wordt aangenomen, dit door ontelbare dingen kan worden bevestigd, totdat het tenslotte bij hem die zich daarin bevestigd heeft, geheel en al als waar verschijnt, hoewel het vals is, en dat men eerder van het valse dan van het ware overtuigd kan worden. Om hen hiervan te overtuigen werd hun voorgesteld dat zij onder elkaar zouden overdenken en bespreken, of het de geesten dienstig zou zijn, het uiterlijk geheugen te gebruiken. Geesten spreken onder elkaar over dergelijke dingen veel voortreffelijker dan de mens gelooft, ja zelfs begrijpen kan, maar eenieder volgens zijn aandoening. Geesten die voor wereldse en lichamelijke dingen waren, bevestigden dit met vele dingen, om deze redenen, dat zij zo niets verloren, maar na de dood evenzo mensen waren als tevoren; dat zij dus opnieuw in de wereld konden komen door middel van de mens, en dat in het uiterlijk geheugen de verlustiging van het leven is gelegen en dat in geen ander vermogen en talent inzicht en wijsheid gelegen is; behalve nog meer andere redenen waarmee zij zich in hun beginsel bevestigden, totdat het hun waar toescheen. Maar toen dachten en spraken anderen uit het tegenovergestelde beginsel en dezen wisten dat het waar was omdat het uit de goddelijke Orde was. Zij zeiden dat wanneer het de geesten werd toegestaan het uiterlijk geheugen te gebruiken, zij dan in een soortgelijke onvolmaaktheid zouden zijn als tevoren toen zij mensen waren; en dus in grove en duistere voorstellingen, vergeleken met die, welke in het innerlijk geheugen zijn. Zo zouden zij niet alleen meer en meer verdwazen maar ook afdalen en niet opklimmen en dus ook niet leven tot in eeuwigheid. Want zich opnieuw onderdompelen in wereldse en lichamelijke dingen zou gelijk staan met zich opnieuw in de staat van de dood te begeven. Verder zeiden zij nog dat wanneer het de geesten vergund was het uiterlijk geheugen te gebruiken, het menselijk geslacht te gronde zou gaan. Want elk mens wordt van de Heer geregeerd door geesten en engelen, en als nu de geesten door het uiterlijk geheugen in de mens zouden vloeien, zou de mens niet uit zijn eigen geheugen kunnen denken, maar uit dat van de geest. Zo zou de mens niet langer zijn eigen leven hebben en zijn eigen meester zijn, maar hij zou bezeten zijn, de bezetenheid oudtijds was niets anders. Er waren ook nog andere redenen.

Hemelse Verborgenheden 2478.

Opdat ik zou weten hoe het daarmee gesteld is dat de mens niet uit zijn geheugen kan denken wanneer geesten uit hun uiterlijk geheugen invloeien, werd het twee of driemaal toegestaan dat zoiets plaatsvond. Ik wist dan niet beter of het was mijn eigen geheugen, maar dat was het niet, het was van een geest. Ik had bepaalde dingen vroeger gedacht terwijl ik ze toch niet had gedacht; en dit kon ik niet gewaarworden vooraleer zij waren teruggetreden.

Hemelse Verborgenheden 2479.

Een zekere pas aangekomen geest was verontwaardigd, dat hij zich de vele dingen niet herinnerde die hij in het leven van het lichaam had geweten. Hij treurde om de verlustiging die hij verloren had en waarin hij groot behagen in had geschept. Maar het werd hem gezegd dat hij in het geheel niets verloren had en dat hij alle dingen tot in bijzonderheden wist, maar dat het hem in het andere leven niet vergund was dergelijke dingen tevoorschijn te halen; en dat het voldoende was dat hij nu veel beter en volmaakter kon denken en spreken, zonder zijn redelijke, zoals eerder, onder te dompelen in dichte, donkere, stoffelijke en lichamelijke dingen, die van hoegenaamd geen nut zijn in het Rijk waarin hij nu gekomen was; en dat de dingen die in het rijk van de wereld waren, achtergelaten waren en dat hij nu al het mogelijke had, dat tot het nut van het eeuwige leven leidt, en dat hij op deze en op geen andere wijze zalig en gelukkig kon worden. Het is daarom onwetendheid te geloven dat in het andere leven het inzicht te gronde gaat met het in onbruik geraken van het lichamelijk geheugen, terwijl het er toch zo mee gesteld is, dat voor zoveel het gemoed van de zinnelijke en lichamelijke dingen kan worden afgehouden, het wordt opgeheven tot de geestelijke en hemelse dingen.

Hemelse Verborgenheden 2480.

Daar de mensen na de dood in het innerlijk geheugen zijn, dat tot hun redelijke behoorde, kunnen daarom zij die in de wereld buitengewoon bedreven waren in talen, er zelfs niet één lettergreep van uitbrengen. Zij die in wetenschappen uitmuntten, kunnen niet het minste uit hun wetenschappelijke dingen ophalen en zijn soms stompzinniger dan de anderen. Maar al wat zij hebben opgenomen door middel van talen en al wat zij hebben opgenomen door middel van wetenschappen, wordt bij hen nu omgezet in nutten, daar het hun redelijke heeft gevormd. Het redelijke dat zij zich daaruit hebben verworven, is datgene waaruit zij denken en spreken. Hij die uit talen en wetenschappen valsheden heeft geput en zich daarin heeft bevestigd, redeneert uit niets anders dan uit valsheden. Hij die echter waarheden heeft geput, spreekt uit waarheden. Het is de aandoening zelf die het leven geeft, de aandoening van het boze het leven van valsheden en de aandoening van het goede het leven van waarheden. Eenieder denkt uit aandoening en zonder aandoening niemand.

Hemelse Verborgenheden 2481.

Dat de mensen na de dood, dat wil zeggen, de geesten, hoegenaamd niets verloren hebben van de dingen die tot hun uiterlijk of lichamelijk geheugen behoren, maar dat ze alles daarvan of alles in zijn geheel met zich meedragen, hoewel het hun niet veroorloofd is daaruit de bijzonderheden van hun leven op te halen, is mij door vele ondervindingen te weten gegeven, zoals blijken kan uit hetgeen volgt: twee personen die ik in hun leven van het lichaam gekend had, en die vijanden van elkaar waren geweest, ontmoetten elkaar. Ik hoorde de een het karakter van de ander met veel voorbeelden beschrijven, en ook welke mening hij over hem had, terwijl hij in zijn geheel een brief citeerde die hij hem geschreven had en tal van andere dingen in volgorde die op zichzelf staande bijzonderheden waren en behoorden tot het uiterlijk geheugen en die de ander erkende en waarbij hij zweeg.

Hemelse Verborgenheden 2482.

Ik hoorde iemand een ander het verwijt maken, dat hij zijn geld had bewaard en het niet had willen teruggeven en dit met de omstandigheden die tot het uiterlijk geheugen behoren, totdat de ander beschaamd was. Ik hoorde ook de ander antwoorden en de redenen opsommen waarom hij het gedaan had, wat allemaal wereldse bijzonderheden waren.

Hemelse Verborgenheden 2483.

Een zekere vrouw werd in de staat gebracht waarin zij verkeerde in de wereld toen zij een misdaad had beraamd. Toen kwamen de bijzonderheden van haar gedachten en de bijzonderheden van haar spreken met een andere vrouw tevoorschijn als op klaarlichte dag. Een zekere vrouw uit de bende van de sirenen, werd, omdat ze er in volhardde om te loochenen, dat zij van dien aard was geweest in het leven van het lichaam, in de staat van het lichamelijk geheugen gebracht en toen werden haar echtbreuken en schanddaden die tijdens haar leven nauwelijks iemand bekend waren geweest, blootgelegd en in volgorde opgesomd, vrijwel bij honderden: waar zij geweest was, met wie zij echtbreuk had gepleegd, wat ze dan in haar schild voerde en al deze dingen zo levendig als werd het opnieuw beleefd in het licht van de dag; zo werd zij overtuigd. Dergelijke dingen worden uitgevoerd, wanneer iemand er zich van wil vrijpleiten, zo geweest te zijn, en wel aanschouwelijk naar het leven met alle omstandigheden tot in bijzonderheden.

Hemelse Verborgenheden 2485.

Er was iemand bij mij die ik tijdens zijn leven in het lichaam niet gekend had; toen ik hem vroeg of hij wist, vanwaar hij was, wist hij dit niet; maar door middel van het innerlijk gezicht werd hij door mij geleid door de steden waar ik geweest was en tenslotte door de stad, waar hij vandaan kwam en toen door de straten en over de pleinen, die hij alle kende, en eindelijk in de straat waar hij gewoond had; en wanneer ik bekend was geweest met de huizen en hoe die gelegen waren, zou ik ook in staat zijn geweest, zijn huis te weten.

Hemelse Verborgenheden 2486.

Dat de mensen alle dingen van het lichamelijk geheugen tot in bijzonderheden met zich meedragen, kon mij ook vaak genoeg blijken uit hen, die ik gekend had in hun leven van het lichaam, namelijk dat ze, wanneer ik met hen sprak, alles tot in bijzonderheden weer wisten wat ze gedaan hadden in mijn tegenwoordigheid en wat ze besproken en dan gedacht hadden. Hieruit en uit vele andere ervaringen meer is mij met zekerheid te weten gegeven, dat de mens alle dingen van het uiterlijke of lichamelijke geheugen in het andere leven met zich meebrengt.

Hemelse Verborgenheden 2488.

Voordat ik door levende ervaringen onderricht was, was ik zoals anderen van mening, dat een geest nooit de dingen zou kunnen weten die in mijn geheugen en in mijn gedachten waren, maar dat die van mij alleen en verborgen waren. Maar ik kan oprecht verzekeren dat de geesten die bij de mens zijn de allerkleinste dingen van zijn geheugen en gedachten weten en opmerken en dit veel helderder dan de mens zelf. De engelen weten de einddoelen zelf en merken op hoe deze zich van het goede naar het boze ombuigen en van het boze naar het goede en veel meer dingen dan de mens weet, zoals de dingen die hij heeft ondergedompeld in zijn verlustigingen en dus als het ware in zijn natuur en gemoedsaard. Wanneer dit geschiedt verschijnen die dingen niet langer, daar hij er niet meer over nadenkt. Laat daarom de mens niet langer denken dat zijn gedachten verborgen zijn en dat hij geen rekenschap zou moeten geven van zijn gedachten en van zijn daden, overeenkomstig de graad en de hoedanigheid van de gedachten die daarin waren. Want de daden ontlenen hun hoedanigheid aan de gedachten en de gedachten aan de einddoelen.

Hemelse Verborgenheden 2489.

De dingen van het innerlijk geheugen openbaren zich in het andere leven door een zekere sfeer, waaraan de geesten op een afstand naar hun hoedanigheid onderkend worden. Vooral ten aanzien van de aandoening en ten aanzien van de overreding. Deze sfeer komt voort uit de werkzaamheid van de dingen in het innerlijk geheugen, zie: (1048, 1053, 1316, 1504).

Hemelse Verborgenheden 2495.

Het is al eerder beschreven en aangetoond op vele plaatsen dat het Woord een inwendige zin heeft die in de letter niet kan worden gezien. Ook is de aard van die inwendige zin duidelijk uit de verklaringen die tot zover zijn gegeven vanuit het 1ste hoofdstuk van Genesis. Maar dan nog, de weinigen die heden ten dage wel in het Woord geloven, weten, ondanks hun geloof, niets van het bestaan van zulk een inwendige zin; daarom wordt hier verdere bevestiging gegeven. De Heer beschrijft de voleinding der eeuw, dat wil zeggen: de laatste tijd van de Kerk als volgt: 'Terstond na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden', (Matthéüs 24:29; Markus 13:24); dat de zon hier niet de zon betekent, de maan niet de maan en ook niet de sterren de sterren, maar de zon de liefde tot de Heer en de liefde tot de naaste, de maan het geloof van de liefde en naastenliefde en de sterren de erkentenissen van het goede en ware, werd aangetoond in: (31, 32, 1053, 1521, 1529, 1530, 1531, 2120, 2441). Zo wordt er door deze woorden van de Heer aangeduid, dat er in de voleinding der eeuw, of in de laatste tijd, geen liefde meer zal zijn en geen naastenliefde en dientengevolge geen geloof. Dat dit de zin is, blijkt duidelijk uit soortgelijke woorden van de Heer bij de profeten, zoals bij Jesaja: 'Ziet, de dag van Jehovah komt, om het land te stellen tot verlating, en Hij zal deszelfs zondaars daaruit verdelgen; want de sterren der hemelen en haar gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden in haar opgang, en de maan zal haar licht niet laten schijnen', (Jesaja 13:9,10). Hier wordt ook gehandeld over de laatste tijd van de Kerk, of, wat hetzelfde is, over de voleinding der eeuw. Bij Joël: 'Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolk en dikke donkerheid; de aarde is beroerd voor Hem, de hemelen beefden; de zon en maan werden zwart en de sterren trokken haar glans in', (Joël 2:2,10). Elders bij dezelfde: 'De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en vreselijke dag van Jehovah komt', (Joël 2:31); verder nog bij dezelfde: 'De dag van Jehovah is nabij, de zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken', (Joël 3:14,15). Bij Ezechiël: 'Wanneer Ik u zal uitblussen, zal ik de hemelen bedekken en hun sterren zwart maken; Ik zal de zon met een wolk bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten, alle lichtende lichten in de hemelen zal Ik zwart maken en Ik zal een duisternis over uw land brengen', (Ezechiël 32:7,8). Ook bij Johannes: 'Ik zag, toen hij het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak, en de ganse maan werd als bloed, en de sterren vielen op de aarde', (Apocalyps 6:12,13). Bij dezelfde: 'De vierde engel heeft gebazuind, zodat het derde deel van de zon werd geslagen, en het derde deel van de maan, en het derde deel van de sterren, en het derde deel derzelve werd verduisterd', (Apocalyps 8:12). Uit deze plaatsen kan blijken dat de woorden van de Heer bij de evangelisten iets dergelijks bevatten als de woorden van de Heer bij de profeten, namelijk, dat er in de laatste tijden geen naastenliefde of geloof zal zijn; en dat dit de innerlijke zin is, zoals ook nog blijkt bij Jesaja: 'De maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, want Jehovah Zebaoth zal regeren op de berg Zion, en in Jeruzalem', (Jesaja 24:23), dit wil zeggen dat het geloof, wat de maan is, schaamrood zal worden, en de naastenliefde, wat de zon is, beschaamd, omdat ze van dien aard zijn; want van de maan en de zon kan niet gezegd worden dat ze schaamrood en beschaamd zullen worden; en bij Daniël: 'De hoorn van de geitenbok groeide tegen het zuiden, en tegen en oosten, en groeide tot aan het heir der hemelen, en hij wierp van het heir en van de sterren ter aarde neer, en hij vertrad ze', (Daniël 8:9,10), alwaar het eenieder duidelijk kan zijn, dat het heir der hemelen niet een leger betekent, noch 'sterren' sterren.

Hemelse Verborgenheden 2523.

Dat de woorden 'zij is mijn zuster', (Genesis 20:2) betekenen, dat het het redelijke was dat geraadpleegd zou worden, namelijk dat Hij zo gedacht had, blijkt uit de betekenis van 'de zuster' in dit hoofdstuk, wat het redelijk ware is, (1495, 2508). In de innerlijke zin van het Woord wordt het gehele leven van de Heer, zoals het in de wereld zou zijn, beschreven, ook naar de innerlijke gewaarwordingen en gedachten, want deze waren voorzien en daarin was voorzien, omdat die uit het Goddelijke waren, en ook om deze reden, opdat deze dingen toen aan de engelen, die het Woord naar de innerlijke zin gewaarworden, als tegenwoordig zouden worden vertoond, en dat de Heer zo vóór hen zou zijn, en tevens hoe Hij geleidelijk het menselijke aflegde en het Goddelijke aantrok. Wanneer deze dingen niet door het Woord, en ook door alle riten in de Joodse Kerk, als het ware tegenwoordig geweest waren voor de engelen, zou de Heer in de wereld hebben moeten komen onmiddellijk na de val van de Oudste Kerk, die mens of Adam wordt genoemd. Er was toen immers al dadelijk een profetie over de Heer, (Genesis 3:15). Wat meer is, het menselijk geslacht dat er toen was, had niet gered kunnen worden. Wat het leven van de Heer zelf betreft, dit was een voortdurend voortschrijden van het mesnelijke tot het Goddelijke, tot volstrekte vereniging toe, zoals reeds herhaaldelijk eerder is gezegd. Want om met de hellen te strijden en deze te overwinnen, moest Hij dit doen uit het menselijke, want er is geen strijd met de hellen uit het Goddelijke. Daarom behaagde het Hem, het menselijke aan te trekken evenals een ander mens, een klein kind te zijn evenals een ander, op te groeien in wetenschappen en erkentenissen, wat werd uitgebeeld en aangeduid door de vreemdelingschappen van Abraham in Egypte, (hoofdstuk 12), en nu in Gerar. Zo behaagde het Hem, evenals een ander mens het redelijke te ontwikkelen, en op deze wijze de schaduw daarvan te verdrijven en het in het licht te brengen, en dit uit eigen macht. Dat het voortschrijden van de Heer van het menselijke tot het Goddelijke van dien aard was, kan door niemand worden betwijfeld, wanneer hij alleen maar in overweging neemt, dat Hij een klein kind was, en gelijk een klein kind leerde spreken, en zo verder. Maar er was dit onderscheid, dat het Goddelijke Zelf in Hem was, daar Hij van Jehovah ontvangen was.

Hemelse Verborgenheden 2540.

Dat de woorden 'Abimelech stond des morgens vroeg op', (Genesis 20:8), betekent een heldere innerlijke gewaarwording, en het licht van de bevestiging uit het hemels goede. Dit blijkt uit de betekenis van des morgens opstaan; en ook van Abimelech, en ook van 'vroeg'. Wat de morgen betekent is aangetoond in, (2333, 2405); dat het hier een heldere innerlijke gewaarwording betekent, blijkt er duidelijk uit, en ook uit het verband, namelijk dat de gewaarwording eerst donker was, (2513, 2514), en dat zij daarna minder donker was, (2528). Dat Abimelech de op de redelijke dingen gerichte leer van het geloof betekent, zie: (2509, 2510). Wat 'vroeg' is, blijkt duidelijk uit de betekenis van de morgen. Daar hier gezegd wordt 'hij stond des morgens vroeg op' betekent het niet alleen een heldere innerlijke gewaarwording, maar ook het licht van de bevestiging uit het hemels goede, want het is het hemels goede, waaruit het bevestigende licht van de waarheid voortkomt; hieruit kan nu blijken dat dit wordt aangeduid. Dat er in de innerlijke zin zo veel gehandeld wordt over de innerlijke gewaarwording die de Heer had, toen Hij in het menselijke was, en over Zijn denken ten aanzien van het redelijke in de leer van het geloof, komt ook door de eerder aangegeven reden, en ook omdat het tot het engelwezen behoort, met onderscheid verschillende dingen te denken ten aanzien van het leven van de Heer in de wereld, en hoe Hij het menselijk redelijke uittrok en dit Goddelijk maakte uit eigen macht. Tevens over de leer van de naastenliefde en het geloof, zoals zij is als het redelijke zich daarin mengt, behalve nog meer dingen, die tot de innerlijke dingen van de Kerk en van de mens behoren en daarvan afhangen. De mens die zijn zorg en hart aan wereldse en lichamelijke dingen geeft, komen deze dingen als onbelangrijk voor, en misschien wel als van hoegenaamd geen belang voor hem, maar voor de engelen die hun zorg en hart geven aan hemelse en geestelijke dingen, zijn deze zelfde dingen kostbaarheden, en hun desbetreffende voorstellingen en gewaarwordingen zijn onuitsprekelijk. Hieruit blijkt duidelijk dat zeer vele dingen die de mens onbelangrijk toeschijnen, omdat die zijn begrip te boven gaan, bij de engelen in de allerhoogste achting staan, omdat zij treden in het licht van hun wijsheid, en omgekeerd, dat dingen die bij de mens het hoogst in achting staan, omdat die van de wereld zijn en dus in zijn begrip vallen, van geen belang zijn voor de engelen, want ze vallen buiten het licht van hun wijsheid. Dienovereenkomstig is het met de innerlijke zin van het Woord op vele plaatsen zo gesteld.

Hemelse Verborgenheden 2541.

Dat de woorden 'en riep zijn knechten', de redelijke en wetenschappelijke dingen betekenen, blijkt uit de betekenis van de knechten in het Woord, waarover in hetgeen volgt bij vers 14, (2567). Er zijn in de mens, die in het Rijk van de Heer of die het Rijk van de Heer is, hemelse, geestelijke, redelijke, wetenschappelijke en zinnelijke dingen en deze zijn aan elkaar ondergeschikt. De hemelse en geestelijke dingen houden de eerste plaats en zijn van de Heer, de redelijke dingen zijn daaraan ondergeschikt en dienen ze; de wetenschappelijke dingen zijn weer aan deze ondergeschikt en dienstbaar, tenslotte de zinnelijke dingen aan deze of de wetenschappelijke dingen. De dingen die dienen of dienstbaar zijn, zijn vergelijkenderwijze knechten, en worden in het Woord knechten genoemd. Dat er zo'n onderschikking bestaat weet de mens niet, die alleen uit zinnelijke en wetenschappelijke dingen denkt, en wie er wel iets van weet, heeft dan toch een hoogst duistere voorstelling omdat hij nog in lichamelijke dingen is. Maar de engelen hebben daarover een allerscherpst onderscheiden voorstelling, want duizenden, ja zelfs myriaden duidelijk onderscheiden voorstellingen bij de engelen vertonen zich niet anders dan als één enkele duistere voorstelling bij de mens, zo bijvoorbeeld nemen de engelen ten aanzien van deze woorden, dat Abimelech zijn knechten riep en alle woorden voor hun oren sprak en dat de mannen zeer vreesden, dieper verborgenheden waar, dan de mens ooit vat, ja zelfs geloven kan, namelijk op welke wijze de Heer de redelijke en wetenschappelijke dingen tot gehoorzaamheid bracht, en wel zo, dat Hij niet de redelijke en wetenschappelijke dingen zelf daartoe bracht, maar de aandoeningen die opstonden tegen de hemelse en geestelijke dingen van de leer. Want door de onderwerping van deze werden de redelijke en wetenschappelijke dingen tot gehoorzaamheid gebracht en dan tevens in de orde. Deze dingen behoren voor de engelen tot de meest gewone, die misschien voor de mens behoren tot de voor hem meest duistere of onbegrijpelijke dingen.

Hemelse Verborgenheden 2545.

Dat de woorden 'Abimelech riep Abraham en zei tot hem', (Genesis 20: 9), het denken van de Heer uit de leer van het geloof betekenen, kan blijken uit de uitbeelding van Abimelech, verder van Abraham, en uit de betekenis van zeggen, waarover herhaaldelijk eerder. Wat denken uit de leer van het geloof is, kan niet helder worden uitgelegd, want de innerlijke gewaarwording hiervan kan alleen in de engelenvoorstellingen vallen, aan wie zij zich in zulk een groot licht, gepaard met hemelse uitbeeldingen, vertoont, dat er nauwelijks iets van kan worden beschreven, zoals blijken kan wanneer gezegd wordt, dat het denken van de Heer uit het verstandelijk ware was, wat verheven was boven het redelijke, waarop Hij van daaruit neerzag, maar dat de innerlijke gewaarwording, waaruit Hij dacht, uit het Goddelijk Ware was.

Hemelse Verborgenheden 2551.

Dat de woorden 'wat hebt gij gezien, dat gij dit woord deed', (Genesis 20:10); de inblik in de oorzaak betekenen, blijkt zonder verklaring, en ook uit hetgeen volgt, waar de oorzaak wordt genoemd. Dat het zich zo volgens de orde in de innerlijke zin vertoont, hoe de Heer innerlijke gewaarwording had en dacht over de leer van geloof, en over het redelijke of dat geraadpleegd moest worden, komt omdat het tot het engelwezen behoort over deze dingen in een dergelijke volgorde te denken. De innerlijke zin van het Woord is bovenal voor de engelen, en dus aangepast aan hun innerlijke gewaarwordingen en gedachten. Zij zijn in hun verrukkingen, ja zelfs in hun zaligheden en staten van geluk, wanneer zij over de Heer, Zijn Goddelijke en Zijn Menselijke, en over de wijze waarop dit Menselijke Goddelijk werd gemaakt, denken. Zij worden dan omringd door een hemelse en geestelijke sfeer, die vol is van de Heer, zodat gezegd kan worden, dat zij in de Heer zijn. Vandaar is er niets zaliger en gelukkiger voor hen dan te denken overeenkomstig de dingen die tot deze sfeer behoren en tot de aandoeningen daarvan. Zij worden dan ook tevens onderricht en vervolmaakt, bovenal hierin; hoe de Heer bij graden, toen Hij opgroeide, het menselijke, waarin Hij geboren was, uit eigen macht Goddelijk maakte, en zo door wetenschappen en erkentenissen, die Hij aan Zichzelf openbaarde, Zijn redelijke vervolmaakte, geleidelijk de schaduwen daarvan uiteendreef, en het in het goddelijk licht binnenleidde. Deze en ontelbare andere dingen vertonen zich voor de engelen op een hemelse en geestelijke wijze, met duizenden en duizenden uitbeeldingen in het licht van het leven, wanneer het Woord gelezen wordt. Maar deze dingen, die voor de engelen zo kostbaar zijn, zijn voor de mensen als van geen gewicht, want ze zijn boven hun begrip, en dus in de schaduw van hun verstand; en omgekeerd, de dingen die voor de mensen kostbaar zijn, zoals die dingen waarin wereldse zaken zijn, zijn voor de engelen van geen gewicht, want die zijn beneden hun staat en dus in de schaduw van hun wijsheid. En zo - wat wonderbaarlijk is - de dingen die in de schaduw van de mens komen en bijna in zijn verachting, gaan over in het licht van de engelen en in hun aandoening, zoals het geval is met vele dingen die tot de innerlijke zin van het Woord behoren.

Hemelse Verborgenheden 2595.

Ik hoorde een zekere ruisende rei, maar scherper dan gewoonlijk, en uit het geluid wist ik terstond, dat zij tot de heidenen behoorden. Door de engelen werd mij gezegd dat zij heidenen waren, die drie of vier dagen tevoren waren wederopgewekt. De rei of het koor werd vele uren lang gehoord en het werd waargenomen dat zij ook gedurende die korte tijd dat het gehoord werd, meer en meer vervolmaakt werden. Toen ik mij daarover verwonderde, werd er gezegd dat dezen in een enkele nacht kunnen worden ingewijd in koren, dus in harmonie, terwijl de meeste Christenen dit nauwelijks in dertig jaar kunnen. Reien of koren ontstaan, wanneer velen tezamen spreken, allen als één, en ieder individu als allen. Maar over reien of koren zal door de goddelijke barmhartigheid van de Heer elders worden gesproken.

Hemelse Verborgenheden 2596.

Op zekere morgen was er een koor op een afstand en het werd mij gegeven uit de uitbeeldingen van het koor te weten, dat het Chinezen waren, want ze vertoonden een soort wollige geitenbok, en ook een koek van gierst en een ivoren lepel, en ook de voorstelling van een drijvende stad. Zij wilden graag dichter bij mij komen en toen ze zichzelf hadden aangepast, zeiden ze dat ze alleen met mij wilden zijn, omdat ze hun gedachten wilden openen. Maar er werd hun gezegd dat ze niet alleen waren en dat er anderen waren die verontwaardigd waren, dat zij alleen wilden zijn, hoewel zij gasten waren. Toen zij hun verontwaardiging bemerkten, verzonken ze hierover in gedachten, of ze tegenover de naaste een overtreding hadden begaan en of zij voor zichzelf iets hadden opgeëist, dat anderen toebehoort - in het andere leven worden alle gedachten meegedeeld. Het werd mij gegeven hun ontroering waar te nemen; het was de ontroering van de erkenning dat zij hen wellicht hadden gegriefd en van de schaamte daarover en tevens van andere rechtschapen aandoeningen, waaruit werd onderkend dat zij met naastenliefde waren begiftigd. Spoedig daarop sprak ik met hen en tenslotte ook over de Heer. Toen ik Hem Christus noemde werd een zekere afkeer bij hen waargenomen, maar de reden daarvan werd onthuld, namelijk dat zij deze afkeer uit de wereld hadden meegebracht. Deze afkeer was ontstaan omdat ze wisten dat de Christenen slechter leefden dan zij, en in geen naastenliefden leefden. Maar toen ik Hem eenvoudig de Heer noemde, werden zij inwendig geroerd. Daarna werden ze door de engelen onderricht dat de christelijke leer boven alle andere leringen in de gehele wereld de liefde en de naastenliefde voorschrijft, maar dat er slechts weinigen zijn, die overeenkomstig deze leer leven.

Hemelse Verborgenheden 2598.

Toen ik het zeventiende en achttiende hoofdstuk van Richteren over Micha las, hoe de zonen van Dan zijn gesneden beeld, de terafim en de Leviet wegnamen, was een geest uit de heidenen aanwezig, die in het leven van het lichaam een gesneden beeld had aanbeden. Toen deze aandachtig luisterde naar wat Micha geschiedde, en in welke smart hij verkeerde vanwege zijn gesneden beeld, dat de Danieten weggenomen hadden, overviel en beroerde ook hem smart en wel dermate dat hij van innerlijk verdriet nauwelijks wist wat hij dacht. Ik werd de smart gewaar en nam tevens de onschuld in elk van zijn neigingen waar. Er waren ook christelijke geesten aanwezig die dit opmerkten en verwonderd waren dat een aanbidder van gesneden beelden door zo'n sterke ontroering van barmhartigheid en onschuld bewogen werd. Later spraken goede geesten met hem die zeiden dat een gesneden beeld niet aanbeden moest worden en dat hij dit kon begrijpen omdat hij een mens was, maar dat hij buiten het beeld moest denken aan God de Schepper en Regeerder van de gehele hemel en van de gehele aarde, en dat deze God de Heer is. Toen deze dingen gezegd werden, werd het mij gegeven de inwendige ontroering van zijn aanbidding waar te nemen, die aan mij werd meegedeeld, en veel heiliger was dan die bij de Christenen. Hieruit kan blijken dat de heidenen gemakkelijker in de hemel komen dan de Christenen heden ten dage, die niet ontroerd worden, overeenkomstig de woorden van de Heer bij: (Lukas 13:29,30). Want in de staat waarin hij was, kon hij met alle dingen van het geloof vervuld worden en deze met inwendige ontroering ontvangen. Bij hem was barmhartigheid wat van de liefde is, en in zijn onwetendheid was onschuld; en wanneer dit er is, worden alle dingen van het geloof als vanzelf ontvangen en dit met blijdschap; hij werd daarna onder de engelen ontvangen.

Hemelse Verborgenheden 2600.

De rechtschapen heidenen worden in het andere leven voor het merendeel overeenkomstig de staat van hun leven en overeenkomstig hun godsdienstigheid, voor zoveel dit mogelijk is, onderwezen en zo op verschillende wijze; ik mag er hier alleen drie meedelen.

Hemelse Verborgenheden 2601.

Sommigen van hen worden in een staat van kalmte, als het ware een soort van slaap, gebracht, en dan lijkt het aan henzelf toe alsof ze kleine steden bouwen, en in het midden daarvan iets verborgens verstoppen en ze willen dat niemand dit geweld zal aandoen. Ze geven deze steden aan anderen, met de smeekbeden het verborgene in het midden daarvan niet te schenden. Zo wordt er onschuld in hen gelegd en ook naastenliefde en tevens de voorstelling dat het verborgene de Heer betreft. In deze staat worden ze geruime tijd gehouden; het is de staat van de onwetendheid waarin onschuld is. Ze worden beschermd door kleine kinderen opdat niemand hun letsel zal toebrengen. Ik heb met hen gesproken en ben zeer ontroerd door hun staat van onschuld en naastenliefde, en ook door de uiterste zorg waarmee zij het verborgene verstoppen, en door de heilige vrees, dat het maar niet geschonden zou worden. Hemelse Verborgenheden 2602. Er is een natie - er werd mij gezegd dat het Indië is - vanwie de godsdienstigheid hierin bestaat dat ze de grootste God met de navolgende ritus vereren: wanneer ze Hem aanbidden, verheerlijken zij eerst zichzelf, maar direct daarop werpen zij zich neer als wormen. Ook geloven ze dat boven het heelal, dat naar hun geloof, rondwentelt, deze grootste God is, die van daaruit neerziet op wat zij doen. Daar zij dergelijke godsdienstige opvattingen hadden, worden zij in het andere leven daarin teruggebracht, en ik heb met hen gesproken toen ze zich dergelijke dingen verbeeldden. Ze zijn voor het merendeel bescheiden, gehoorzaam en eenvoudig van hart. Ze worden geleidelijk van deze fantasieën door de engelen bevrijd, want ze worden overeenkomstig hun religie onderwezen dat de grootste God de Heer is, en dat zij zich kunnen verheerlijken op grond hiervan dat zij in staat zijn Hem te aanbidden, en dat zij nochtans als wormen zijn; en dat de Heer vanuit de hoogte alles tot in bijzonderheden ziet. Op de gepaste wijze worden ze door middel van hun eigen godsdienstigheid in de erkentenissen van het goede en ware gebracht.

Hemelse Verborgenheden 2603.

Er zijn bepaalde heidenen uit die streken waar de mensen zwart zijn, die uit het leven in de wereld dit met zich meebrengen, dat zij hard behandeld willen worden, omdat ze geloven dat niemand in de hemel kan komen dan door straffen en verdrukkingen en dat ze daarna vreugdevollere dingen ontvangen, die zij paradijs noemen. Daar zij zulke opvatiingen uit hun godsdienstigheid meebrengen, worden ze dan ook in het andere leven eerst hard behandeld door sommigen, die zij duivels noemen, en daarna overgedragen in paradijselijke oorden, (1622). Maar zij worden door de engelen onderwezen dat hun straffen en verdrukkingen door de Heer worden verkeerd in wat goed is voor hen, zoals bij hen die in verzoekingen zijn; voorts dat niet de paradijselijke oorden de hemel zijn, maar de aandoening van de hemelse en geestelijke dingen die daarin liggen. Verder ook, dat zij op een bepaalde weg van de waarheid waren, maar in de schaduw van de onwetendheid. Zij hebben lange tijd met mij gesproken; toen zij in de staat van de verdrukkingen waren, ging hun spraak als het ware met een soort horten gepaard, en was zo onderscheiden van die van de anderen. Maar toen deze verdrukkingen voorbij waren en zij tot de paradijselijke dingen werden opgeheven, hadden ze niet langer een dergelijke spraak, maar een bijna engelachtige. Zij brengen ook uit hun godsdienstigheid het geloof mee, dat ze innerlijke dingen willen hebben; ze zeggen dat zij, wanneer ze hard behandeld worden, zwart zijn, maar dat ze daarna het zwarte afleggen en het blanke aantrekken, omdat ze weten dat hun ziel blank is, maar hun lichamen zwart zijn.

Hemelse Verborgenheden 2661.

… De Heer kwam niet in de wereld, om de hemelsen, maar om de geestelijken te behouden. De Oudste Kerk, die Mens werd genoemd, was hemels, en wanneer deze in haar ongereptheid gebleven zou zijn, zou de Heer het niet nodig hebben gehad om als mens geboren te worden; maar zodra deze begon te verzwakken, voorzag de Heer, dat de Hemelse Kerk geheel en al van de wereld zou vergaan. Daarom werd toen terstond de voorzegging gedaan ten aanzien van de komst van de Heer in de wereld, (Genesis 3:15). Na de tijd van deze Kerk was er geen hemelse Kerk meer, maar een geestelijke Kerk; de Oude Kerk die na de vloed bestond, was een geestelijke Kerk. Deze Kerk, of zij die van de Geestelijke Kerk waren, zouden niet behouden hebben kunnen worden, wanneer de Heer niet in de wereld gekomen was; zij worden bedoeld met de woorden van de Heer bij Matthéüs: 'Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn; Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot berouw', (Matthéüs 9:12,13); en ook door deze woorden bij Johannes: 'En Ik heb andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen en zij zullen Mijn stem horen, en het zal worden één kudde en één herder', (Johannes 10:16); alsmede door de gelijkenis van de honderd schapen, (Matthéüs 18:11,12,13). Daar nu door Izaäk zoals door hem het Goddelijk Redelijke van de Heer wordt uitgebeeld, ook de hemelsen worden aangeduid - die erfgenamen worden genoemd - en door Ismaël, zoals door hem het louter menselijk redelijke van de Heer wordt uitgebeeld, ook de geestelijken worden aangeduid - die zonen worden genoemd - zoals ook duidelijk blijkt uit wat eerder,(2658), is gezegd. Hier ligt de reden van Zijn smart uit de Goddelijke Liefde of van de woorden van dit vers …

…Deze verborgenheden kunnen vooralsnog niet met meer dingen worden ontvouwd; slechts dit, dat bij de Heer, toen Hij in de wereld was, alle staten van de Kerk werden uitgebeeld, en op welke wijze zij, die van de Kerk waren, door Hem behouden werden; vandaar worden ook dezelfde staten van de Kerk door dezelfde namen aangeduid.

Hemelse Verborgenheden 2701.

Dat de woorden: 'God opende haar ogen', (Genesis 21:19) het inzicht betekenen, blijkt uit de betekenis van openen, en dat God opent; alsmede van de ogen; dit is inzicht geven. Dat de ogen het verstand betekenen, zie: (212), evenals het gezicht of zien, (2150, 2325). Er wordt gezegd dat God de ogen opent, wanneer Hij het inwendig gezicht of het verstand opent, wat plaatsvindt door een invloeiing in het redelijke in de mens, of liever, in het geestelijke van zijn redelijke, en dit langs de weg van de ziel of langs de innerlijke weg, die de mens onbekend is. Deze invloeiing is de staat van zijn verlichting, waarin de waarheden die hij hoort of leest voor hem bevestigd worden door een bepaalde gewaarwording van binnen in zijn verstandelijke. De mens gelooft dat dit hem ingeboren is en voortkomt uit zijn eigen verstandelijk vermogen, maar hij dwaalt daarin zeer, want het is een invloed vanuit de Heer, door de hemel in het duistere, begoochelende en schijnbare van de mens, en door het goede dat daarin is, maakt het, dat de dingen die hij gelooft, op het ware gelijken. Echter, met verlichting in de geestelijke dingen van het geloof worden alleen zij gezegend, die geestelijk zijn. Dit is het, wat daarmee wordt aangeduid, dat God de ogen opent. Dat het oog het verstand betekent, komt omdat het gezicht van het lichaam overeenstemt met het gezicht van zijn geest, dat het verstand is; en omdat het daarmee overeenstemt, wordt door het oog in het Woord, bijna overal waar het vermeld wordt, het verstand aangeduid, ook waar het anders opgevat wordt, zoals waar de Heer bij Matthéüs zegt: 'De lamp des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen; maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam verduisterd zijn; indien dan het schijnsel duisternis is, hoe groot zal de duisternis zijn', (Matthéüs 6:22, 23; Lukas 11:34). Hier is het oog het verstand, waarvan het geestelijke het geloof is, wat ook uit de verklaring daar kan blijken: 'Indien dan het schijnsel duisternis is, hoe groot zal de duisternis zijn'. Tevens bij dezelfde: 'Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit en werpt het van u', (Matthéüs 5:29; 18:9). Het linkeroog is het verstandelijke, het rechteroog de aandoening daarvan; dat het rechteroog uitgerukt moet worden, wil zeggen, dat de aandoening bedwongen moet worden, wanneer die ergernis verwekt. Bij dezelfde: 'Uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren omdat zij horen', (Matthéüs 13:16). Bij Lukas: 'Jezus zei tot de discipelen: Zalig zijn de ogen die zien wat gij ziet', (Lukas 10:23); daar wordt door 'de ogen die zien', het inzicht en het geloof aangeduid; want dat zij de Heer zagen alsmede Zijn wonderen en werken, maakte hen niet zalig, maar dat zij die met het verstand begrepen en geloof hadden, wat zien met de ogen is, en dat zij gehoorzaamden, wat horen met de oren is. Dat zien met de ogen verstaan is, alsmede geloof hebben, zie: (597, 2325); want het verstand is het geestelijke van het gezicht, en het geloof is het geestelijke van het verstand. Het gezicht van het oog komt voort uit het licht van de wereld, het gezicht van het verstand uit het licht van de hemel, en vloeit in de dingen die tot het licht van de wereld behoren.Vandaar wordt er gesproken van zien met het verstand, en zien door het geloof. Dat met het oor horen wil zeggen gehoorzamen, zie: (2542). Bij Markus: 'Jezus zei tot de discipelen: Bemerkt gij nog niet en verstaat gij niet? Hebt gij nog uw verhard hart? Ogen hebbende ziet gij niet en oren hebbende hoort gij niet', (Markus 8:17,18), alwaar duidelijk blijkt, dat niet willen verstaan en niet geloven is ogen hebben en niet zien. Bij Lukas: 'Jezus zei aangaande de stad: Indien gij had geweten, hetgeen uw vrede dient, maar het is verborgen voor uw ogen', (Lukas 19:41,42). En bij Markus: 'Van de Heer is dit geschied en het is wonderlijk in onze ogen', (Markus 12:11), alwaar verborgen voor de ogen en wonderlijk in de ogen wil zeggen: voor het verstand, zoals eenieder bekend is uit de betekenis van het oog, ook in het gewone spraakgebruik.

Hemelse Verborgenheden 2715.

Het goede bij de geestelijke mens is betrekkelijk duister, omdat hij niet uit enige innerlijke gewaarwording, zoals de hemelsen, weet wat waar is, maar door onderricht van ouders en leraren en verder ook door de geloofsleer waarin hij geboren is. Wanneer hij er iets van zichzelf en uit zijn denken aan toevoegt, dan overheersen voor het meerendeel het zinnelijke en zijn begoochelingen, en het redelijke en zijn schijnbaarheden. Dit maakt dat hij nauwelijks iets zuiver waars erkennen kan, zoals de hemelsen erkennen. Toch plant de Heer in deze schijnbare waarheden het goede, zelfs wanneer de waarheden begoochelingen zijn of schijnbaarheden van het ware. Maar het goede wordt er duister door, want de hoedanigheid ervan wordt bepaald door de waarheden waarmee het verbonden wordt. Het is hiermee gesteld als met het zonlicht dat in de voorwerpen vloeit. De hoedanigheid van de voorwerpen die het opnemen, maakt, dat het licht daar verschijnt onder de vorm van kleur; schoon, wanneer de hoedanigheid van de vorm en van de opname bekoorlijk en overeenstemmend is, maar niet schoon, wanneer de hoedanigheid van de vorm en van de opname niet bekoorlijk en dus ook niet overeenstemmend is. Zo wordt de hoedanigheid van het goede bepaald door het ware. Ook blijkt het hieruit dat de geestelijke mens niet weet wat boos is. Hij acht nauwelijks iets anders voor boos dan dat, wat tegen de voorschriften van de Dekaloog indruist, maar de boosheden van de aandoening en van de gedachte, die ontelbaar zijn, kent hij niet; en ook denkt hij er niet over na, noch noemt hij ze boosheden. De verlustigingen van de begeerten en lusten, onverschillig welke, beschouwt hij niet anders dan als goed, en de verlustigingen van de eigenliefde zoekt hij, evenzeer als hij ze goedkeurt en verontschuldigt, omdat hij niet weet dat het zulke dingen zijn die zijn geest aandoen, en dat hij geheel en al zo wordt in het andere leven. Dit blijkt ook hieruit, dat de geestelijke mens, hoewel in het gehele Woord over bijna niets anders gehandeld wordt dan over het goede van de liefde tot de Heer en van de liefde jegens de naaste, toch niet weet, dat het goede het wezenlijke van het geloof is. Hij weet zelfs niet eens wat liefde en naastenliefde in haar wezen is; en over hetgeen hij weet over het geloof dat hij tot het wezenlijke maakt, blijft hij toch nog spreken, of het wel zo is, wanneer hij niet bevestigd wordt door vele dingen van het leven. Dit doen de hemelsen nooit omdat zij weten en gewaarworden, dat het zo is; vandaar wordt er door de Heer gezegd bij Matthéüs: 'Laat uw woord zijn ja, ja; nee, nee; wat boven deze is, dat is uit de boze', (Matthéüs 5:37). De hemelsen immers zijn in het ware zelf, waarover de geestelijken redetwisten of het wel zo is; vandaar kunnen de hemelsen, omdat zij in het ware zelf zijn, van daaruit onbegrensd veel dingen zien die tot dat ware behoren en zo uit het licht als het ware de gehele hemel zien. Maar omdat de geestelijken redetwisten of het wel zo is, kunnen zij, zolang ze dit doen, niet komen tot de eerste grens van het licht van de hemelsen, nog minder uit hun licht iets beschouwen.

Hemelse Verborgenheden 2718.

De reden waarom bij de geestelijke mens de aandoening van het goede zoals deze bij de hemelse mens is, niet kan bestaan, maar in plaats daarvan de aandoening van het ware, is deze, dat het goede bij hem werd ingeplant in zijn verstandsdeel en dit is betrekkelijk duister, zoals aangetoond in: (2715). Hieruit kan geen andere aandoening in zijn redelijke worden voortgebracht en afgeleid dan de aandoening van het ware en daardoor in zijn natuurlijke de aandoening van de wetenschappen. Onder het ware wordt hier geen ander ware verstaan dan een zodanig, als hij gelooft waar te zijn, hoewel het in zichzelf niet waar is. Onder wetenschappen wordt verstaan niet de wetenschappen zoals de geleerden hebben, maar alle wetenschappelijkheid, waarmee men vervuld kan worden door ondervinding en door het aanhoren ervan uit het burgerlijk leven, uit de leer en uit het Woord. In de aandoening van dergelijke dingen is de mens van de geestelijke Kerk …

… Zij die in de aandoening van het goede zijn, weten en worden gewaar uit het goede zelf waarin zij zijn, dat iets zo is; dus zij zijn niet aan de eerste drempel, maar in de binnenkamer en toegelaten tot de wijsheid. Als voorbeeld het volgende: het is hemels te denken en te handelen uit de aandoening van het goede of uit het goede. Zij die in de aandoening van het ware zijn, spreken er over of iets zo is, of het bestaanbaar is, en wat het is, en zolang zij hierover in twijfel verkeren, kunnen zij niet toegelaten worden - in die binnenkamer van de wijsheid. Zij echter die in de aandoening van het goede zijn spreken er niet over, noch verkeren zij in twijfel, maar zeggen, dat iets zo is, en daarom worden zij toegelaten. Zij immers die in de aandoening van het goede zijn, dat wil zeggen, die hemels zijn, beginnen daar, waar zij die in de aandoening van het ware zijn, blijven steken, zodat de laatste grens voor de een, de eerste grens van de ander is. Om deze reden wordt het hun gegeven te weten, te kennen en gewaar te worden dat er ontelbare aandoeningen van het goede zijn, zo vele namelijk als er gezelschappen in de hemel zijn en dat ze allen door de Heer in een hemelse vorm verbonden zijn, zodat ze als het ware één mens vormen …

Hemelse Verborgenheden 2760.

In de Openbaring bij Johannes wordt het Woord ten aanzien van de innerlijke zin als volgt beschreven: 'Ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waar, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. Zijn ogen waren een vlam des vuurs, en op Zijn hoofd waren vele diademen; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hijzelf; en Hij was omkleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods. En de heirlegers, die in de hemelen zijn, volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad; en Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij een naam geschreven, Koning der koningen en Heer der heren', (Apocalyps 19:11,12,13,14,16). Wat elk van deze dingen insluit kan niemand weten, dan alleen uit de innerlijke zin. Het is duidelijk dat elk afzonderlijk iets uitbeeldends en aanduidends is, namelijk dat de hemel geopend was, dat het paard wit was, dat Hij die daarop zat Getrouw en Waar was, en in gerechtigheid oordeelt en krijg voert; dat Zijn ogen een vlam des vuurs waren, dat op Zijn hoofd vele diademen waren, dat Hij een naam geschreven had die niemand wist; dat Hij omkleed was met een kleed, wat met bloed geverfd was; dat de heirlegers die in de hemelen zijn, Hem volgden op witte paarden, en dat Hij op Zijn kleed en op Zijn dij een naam geschreven had. Het wordt openlijk gezegd, dat dit het Woord is, en dat het de Heer is, die het Woord is, want er wordt gezegd: 'Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods'; daarna: 'Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij een naam geschreven, Koning der koningen en Heer der heren'. Uit de uitleg van elk van die woorden blijkt duidelijk dat hier het Woord ten aanzien van de innerlijke zin wordt beschreven. Dat de hemel geopend was, beeldt uit en betekent dat de innerlijke zin van het Woord niet gezien wordt dan in de hemel, en door hen voor wie de hemel is geopend, dat wil zeggen, die in de liefde tot en vandaar in het geloof in de Heer zijn. Het paard dat wit was, beeldt uit en betekent het verstaan van het Woord ten aanzien van zijn inwendige dingen; dat het witte paard dit is zal uit hetgeen volgt duidelijk blijken. Dat Hij, die op hetzelve zat, het Woord is en de Heer, die het Woord is, is duidelijk; Hij wordt 'Getrouw en uit gerechtigheid oordelend' genoemd vanwege het goede, en 'Waar en uit gerechtigheid krijg voerend ' vanwege het ware. Op Zijn hoofd vele diademen, betekent alle dingen van het geloof. Hij had een naam geschreven die niemand dan Hijzelf wist, betekent, dat niemand ziet van welke aard het Woord in de innerlijke zin is, dan alleen Hijzelf en degene die Hij het openbaart. Hij was omkleed met een kleed, dat met bloed geverfd was, betekent het Woord in de letter; de heirlegers in de hemelen die Hem volgden op witte paarden, betekenen hen, die in het verstand van het Woord zijn naar de inwendige dingen; gekleed met wit en rein fijn lijnwaad, betekent dezelfden in de liefde en vandaar in het geloof. De naam geschreven op het kleed en op de dij, betekent het ware en het goede. Hieruit en aan hetgeen hieraan voorafgaat en volgt, blijkt duidelijk, dat omstreeks de laatste tijd de innerlijke zin van het Woord geopend wordt, maar wat dan gebeuren zal, wordt daar ook beschreven in de verzen, zie: (Apocalyps 17,18,19,20,21).

Hemelse Verborgenheden 2761.

Dat het witte paard het verstand van het Woord betekent naar de inwendige dingen, of wat hetzelfde is, de innerlijke zin van het Woord, blijkt uit de betekenis van het paard, hetgeen het verstandelijke is. In de profetische gedeelten van het Woord wordt paard en ruiter herhaaldelijk genoemd, maar tot dusverre is het niemand bekend, dat het paard het verstandelijke, en de ruiter de inzichtsvolle betekent, zoals in de profetie van Jakob, destijds Israël, over Dan: 'Dan zal een slang zijn op de weg, een adderslang op het pad, bijtende de verzenen van het paard, en zijn rijder zal achterover vallen; op Uw heil wacht ik, Jehovah', (Genesis 49:17,18); dat de slang diegene is, die uit zinnelijke en wetenschappelijke dingen redeneert over de Goddelijke verborgenheden, zie: (195); en dat de weg en het pad het ware is, zie: (627, 2333); dat de hiel het laagst natuurlijke is, zie: (259); dat het paard het verstaan van het Woord is en de ruiter hij die onderwijst. Hieruit blijkt duidelijk wat deze profetische woorden betekenen, namelijk dat hij, die uit zinnelijke dingen over de waarheden van het geloof redeneert, alleen in de laagste dingen van de natuur blijft vastkleven, en dus zo niets gelooft. Dit is 'achterover vallen '; daarom wordt er aan toegevoegd: 'Op Uw heil wacht ik, Jehovah'. Bij Habakuk: 'God, Gij reed op Uw paarden, Uw wagens waren heil, Uw paarden deed Gij in de zee treden', (Habakuk 3:8,15), alwaar de paarden staan voor de Goddelijke waarheden die in het Woord zijn, de wagens voor de daaruit voortvloeiende leer, de zee voor de erkentenissen, zie (28, 2120); en omdat deze tot het verstand van het Woord uit God behoren, wordt er gezegd: 'Uw paarden deed Gij in de zee treden'. De paarden worden hier aan God toegeschreven, zoals boven in de Openbaring, aan wie zij niet kunnen worden toegeschreven, zonder dat zij dergelijke dingen betekenen. Bij David: 'Zingt Gode, psalmzingt Zijn naam, verhoogt Hem, die in de wolken rijdt, in Jah, Zijn naam', (Psalm 68:5); in de wolken rijden staat voor het verstand van het Woord naar de inwendige dingen of de innerlijke zin. Dat de wolk het Woord in de letter is, waarin de innerlijke zin is, zie men in de voorrede tot het 18de hoofdstuk van Genesis, alwaar het is uitgelegd, wat het betekent, dat de Heer komen zal in de wolken der hemelen met kracht en heerlijkheid. Bij dezelfde: 'Jehovah boog de hemelen en daalde neer, en donkerheid was onder Zijn voeten; en Hij reed op een Cherub', (Psalm 18:10,11); donkerheid staat hier voor wolken, rijden op een Cherub voor de voorzienigheid van de Heer, opdat de mens niet uit zichzelf binnendringt in de mysteriën van het geloof, die in het Woord zijn, (307). Bij Zacharia: 'Te dien dage zal op de bellen van de paarden staan: De heiligheid van Jehovah', (Zacharia 14:20); de bellen van de paarden voor het verstand van de geestelijke dingen van het Woord, die heilig zijn. Bij Jeremia: 'Er zullen door de poorten van deze stad ingaan koningen en vorsten, zittende op de troon van David, rijdende in de wagen en op paarden, zij en hun vorsten, de man van Jehudah, en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid', (Jeremia 17:25,26; 22:4); de stad Jeruzalem voor het geestelijk Rijk en de geestelijke Kerk van de Heer; koningen voor de waarheden, (1672, 2015, 2069); vorsten voor de voornaamste geboden van het ware, (1482, 2089); David voor de Heer, (1888); de man van Jehudah en de inwoners van Jeruzalem voor hen die in het goede van de liefde, van de naastenliefde en van het geloof zijn, (2268, 2451, 2712); zo staat dus 'rijden op de wagen en op paarden', voor onderwezen zijn in de leer van het ware uit het innerlijk verstand van het Woord. Bij Jesaja: 'Dan zult gij u verlustigen over Jehovah, en Ik zal u doen rijden op de hoogten van de aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve Jakobs', (Jesaja 68:14); rijden op de hoogten van de aarde voor het inzicht. Bij David: 'Een lied van de liefden: Gord uw zwaard aan de heup, o machtige Man, uw heerlijkheid en uw sierlijkheid, en in uw sierlijkheid ga voorwaarts, rijd op het woord der waarheid en van de zachtmoedigheid van de gerechtigheid, en uw rechterhand zal u wonderbaarlijke dingen leren', (Psalm 45:1,4,5); rijden op het woord der waarheid staat klaarblijkelijk voor het inzicht van het ware; en op het woord van de zachtmoedigheid van de gerechtigheid voor de wijsheid van het goede. Bij Zacharia: 'Te dien dage, spreekt Jehovah, zal Ik alle paard met verbazing slaan, en de ruiter met zinneloosheid, en over het huis van Jehudah zal Ik Mijn ogen openen, en alle paard der volken zal Ik met blindheid slaan', (Zacharia 12:4,5); waar eveneens het paard duidelijk voor het verstand staat dat met verbazing en blindheid geslagen zal worden, en de ruiter voor de inzichtsvolle, die met zinneloosheid geslagen zal worden. Bij Hosea: 'Neem weg alle ongerechtigheid en neem het goede aan, en wij zullen de varren van onze lippen betalen; Aschur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden en tot het werk van onze handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God', (Hosea 14:3,4); Aschur voor iemands eigen inzicht; verder nog op tal van andere plaatsen.

Hemelse Verborgenheden 2762.

Dat het paard het verstandelijke betekent, komt nergens anders vandaan dan uit de uitbeeldende dingen in het andere leven. In de geestenwereld worden daar herhaaldelijk paarden gezien en dit met veel verscheidenheid, en ook figuren die op de paarden zitten. Zo vaak zij verschijnen betekenen ze het verstandelijke; dergelijke uitbeeldende dingen zijn er voortdurend bij de geesten. Het is vanwege het uitbeeldende van het paard, wat het verstandelijke is, dat wanneer paarden in het Woord worden genoemd, de geesten en engelen die bij de mens zijn, terstond weten, dat dit het verstandelijke is waarover wordt gehandeld. Dit is ook de reden dat wanneer sommige geesten van een bepaalde wereld van elders, vervuld met inzicht en wijsheid, uit de wereld der geesten in de hemel worden geheven, aan hen paarden verschijnen lichtend als van vuur. Ook ik heb ze gezien toen dezen werden opgeheven. Hieruit kon ik duidelijk opmaken, wat er wordt aangeduid door de vurige wagen en de vurige paarden, die Elisa zag, toen Elia met een wervelwind in de hemelen opklom. Ook wat wordt aangeduid door de uitroep van Elisa destijds: 'Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters', (2 Koningen 2:11,12), en daarmee dat Joas, de koning van Israël, eveneens zei tot Elisa, toen hij stierf: 'Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters', (2 Koningen 13,14). Dat door Elia en Elisa de Heer werd uitgebeeld ten aanzien van het Woord, zal door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, elders besproken worden.; namelijk de leer van de liefde en van de naastenliefde uit het Woord door de vurige wagen, en de daaruit voortvloeiende leer van het geloof door de vurige paarden. De leer van het geloof is hetzelfde als het verstand van het Woord ten aanzien van de inwendige dingen of de innerlijke zin. Dat wagens en paarden in de hemelen die bij geesten en engelen verschijnen, kan niet alleen hieruit blijken, dat zij door de profeten werden gezien, zoals door Zacharia, zie: (Zacharia 1:8,9,10; 6:3,4,5,6,7), en anderen, maar ook door de knaap Elisa, waarover in het boek der Koningen: 'Jehovah opende de ogen van de knaap van Elisa, en hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa', (2 Koningen 6:17). Bovendien verschijnen daar, waar in de wereld der geesten de woonplaats is van de inzichtvollen en van de wijzen, voortdurend wagens en paarden, omdat, zoals gezegd, door wagens en paarden die dingen worden uitgebeeld, die tot de wijsheid en het inzicht behoren. Dat de wederopgewekte mensen na de dood, die het andere leven binnengaan, voor zich zien uitgebeeld een jongeling zittend op een paard, die daarna van het paard afstapt, en dat daarmee wordt aangeduid, dat zij onderwezen moeten worden in de kennis van het goede en ware, voordat zij in de hemel kunnen komen, zie: (187, 188). Dat wagens en paarden deze dingen betekenden, was overbekend in de Oude Kerk, zoals ook blijken kan uit het Boek van Job, dat een boek van de Oude Kerk was, en waar geschreven staat: 'God heeft haar de wijsheid doen vergeten, en heeft haar het inzicht niet toebedeeld; als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn ruiter', (Job 39:20, 21). Door de Oude Kerk werd de betekenis van het paard, het verstandelijke dus, verbreid over de wijzen rondom, ook naar Griekenland. Hieraan ontleenden zij het, dat wanneer zij de zon beschreven - waardoor de liefde werd uitgebeeld, (2441, 2495) - zij daarin de god van hun wijsheid en inzicht plaatsten, en hem een wagen en vier vurige paarden toeschreven; en dat, wanneer zij de god van de zee beschreven, zij ook hem - omdat door de zee de wetenschappen in het algemeen werden aangeduid, (28, 2120) - paarden gaven. En ook dat wanneer ze het bestaan van de wetenschappen uit het verstandelijke beschreven, zij zich een vliegend paard voorstelden dat met zijn hoef een fontein openbrak, alwaar maagden woonden, die de wetenschappen waren. En door het Trojaanse paard werd niets anders aangeduid dan de door hun verstand gevormde kunstmiddelen om de muren te vernietigen. Zelfs heden ten dage pleegt men, wanneer men het verstandelijke beschrijft, zo te doen naar de gewoonte die van de Ouden is overgenomen, onder de vorm van een vliegend paard of Pegasus, en de kennis door een fontein. Maar nauwelijks iemand weet, dat het paard in de mystieke zin het verstand betekent en de fontein het ware, nog minder, dat deze aanduidingen van de Oude Kerk op de heidenen zijn overgegaan.

Hemelse Verborgenheden 2776.

… De Heer verschijnt in het andere leven aan de hemelse engelen als Zon en aan de geestelijke engelen als Maan, (1053, 1521, 1529, 1530, 2441, 2495), daar komt al het licht van de hemel vandaan. Het licht van de hemel is van dien aard, dat wanneer het de gezichten van de geesten en engelen verlicht, het tevens ook het verstand verlicht; dit is aan dit licht van nature eigen. Dus voor zoveel iemand in de hemel van het uiterlijk licht heeft, verlicht het tevens ook het verstand. Hieruit blijkt duidelijk, waarin het licht van de hemel verschilt van het licht van de wereld. Het is het Goddelijk Menselijke van de Heer, dat zowel het gezicht als het verstand van de geestelijke engelen verlicht, wat niet zou gebeuren , wanneer niet de Heer het Menselijk Wezen met het Goddelijk Wezen had verenigd. Wanneer Hij het niet verenigd had, zou de mens in de wereld ook niet langer enig vermogen van begrip en gewaarworden wat goed en waar is, hebben gehad; ja zelfs evenmin de geestelijke engelen in de hemel. Zo zouden ze ook niets van zaligheid en geluk hebben gehad, dus ook niets van heil. Hieruit kan blijken, dat het menselijk geslacht niet behouden zou kunnen zijn, wanneer de Heer het Menselijke niet had aangenomen en dit verheerlijkt had. Hieruit kan nu eenieder besluiten hoe het hiermee gesteld is, dat ze behouden worden, wanneer ze alleen maar uit een soort van innerlijke beroering er aan denken dat de Heer voor hen geleden heeft, en hun zonden wegnam, hoe zij ook hebben geleefd, terwijl toch het licht van de hemel uit het Goddelijk Menselijke van de Heer tot geen anderen kan reiken, dan tot hen, die in het goede van het geloof, dat wil zeggen, in naastenliefde leven, of, wat hetzelfde is, die een geweten hebben. De eigenlijke bodem waarin dit licht kan werken, of de ontvanger van dit licht, is het goede van het geloof, of de naastenliefde en dus het geweten. Dat de geestelijken door het Goddelijk Menselijke van de Heer het heil hebben, zie: (1043, 2661, 2716, 2718).

Hemelse Verborgenheden 2803.

Dat het Goddelijk Ware de Zoon is, en het Goddelijk Goede de Vader is, kan blijken uit de betekenis van de zoon, wat het ware is, (489, 491, 533, 1147, 2633), en van de vader, wat het goede is; en ook uit de ontvangenis en de geboorte van het ware, wat uit het goede is. Het ware kan nooit uit een andere bron dan uit het goede zijn en bestaan, zoals herhaaldelijk werd aangetoond. Dat de Zoon hier het Goddelijk Ware is en de Vader het Goddelijk Goede, komt omdat de vereniging van het Goddelijk Wezen met het Menselijk Wezen, en van het Menselijk met het Goddelijk Wezen het Goddelijk Huwelijk is van het goede met het ware, en van het ware met het goede, waaruit het hemels huwelijk voortkomt. Want in Jehovah of in de Heer is niets dan het oneindige, en omdat het het oneindige is, kan het niet door enige voorstelling begrepen worden, behalve dan dat het het zijn en het bestaan van al het goede en ware is, of het goede zelf en het ware zelf. Het Goede zelf is de vader en het Ware zelf is de Zoon; maar daar er een hemels huwelijk is van het goede en het ware, en van het ware en het goede, is de Vader in de Zoon en de Zoon in de Vader, zoals de Heer Zelf leert bij Johannes: 'Jezus zei tot Filippus: Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is', (Johannes 14:10,11); en elders bij dezelfde evangelist: 'Jezus zei tot de Joden: Zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt erkennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in de Vader, (Johannes 10:36,38); en elders: Ik bid voor hen, want al het Mijne is Uwe en het Uwe is Mijne; opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij zijt, en Ik in U', (Johannes 17:9,10,21); en eders: 'Nu is de Zoon des Mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt; indien God in Hem verheerlijkt is, zo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelven; Vader verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke', (Johannes 13:31,32; 17:1). Hieruit kan blijken van welke aard de vereniging is van het Goddelijke en het Menselijke inde Heer, namelijk dat zij onderling en wederzijds of wederkerig is, en het is deze vereniging, die het Goddelijk Huwelijk wordt genoemd, waaruit het hemels huwelijk neerdaalt, dat het Rijk van de Heer zelf is in de hemelen, waarover bij Johannes: 'In dien dag zult gij erkennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u', (Johannes 14:20); en elders: 'Ik bid voor hen, opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn, Ik in hen en Gij in Mij; opdat de liefde waarmee Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen', (Johannes 17:21,22,23,26). Dat dit hemelse huwelijk het huwelijk is van het goede en het ware, en van het ware en het goede, zie: (2508, 2618, 2728, 2729 en volgende nummers), Daar het Goddelijk Goede nooit kan zijn en bestaan zonder het Goddelijk Ware, en het Goddelijk Ware nooit zonder het Goddelijk Goede, maar het een in het ander onderling en wederkerig, is het duidelijk, dat het Goddelijk Huwelijk van eeuwigheid aan was, dat wil zeggen, de Zoon in de Vader en de Vader in de Zoon, zoals de Heer zelf leert bij Johannes: 'En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld was', (Johannes 17:5,24). Maar het Goddelijk Menselijke, dat van eeuwigheid aan geboren was, werd ook in de tijd geboren, en wat in de tijd geboren werd, en verheerlijkt werd is hetzelfde. Dit is de reden waarom de Heer zo vaak zei dat Hij tot de Vader ging, die Hem gezonden had, dat wil zeggen, dat Hij tot de Vader terugkeerde; en bij Johannes: 'In den beginne was het Woord - het Woord is het Goddelijk Ware Zelf - en het Woord was bij God, en het Woord was God; dit was in den beginne bij God, alle dingen zijn door Hem gemaakt, en zonder Hem is geen ding gemaakt dat gemaakt is; en het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid, (Johannes 1:1,2,3,14; 3:13; 6:62).

Hemelse Verborgenheden 2849.

Dat de woorden: 'als de sterren der hemelen' de menigte van erkentenissen van het goede en ware betekenen, blijkt uit de betekenis van de sterren, dus de erkentenissen van het goede en het ware, waarover: (1808, 2495). De geestelijken zijn zij die in het Woord hier en daar met de sterren worden vergeleken, en dit vanwege de erkentenissen van het goede en ware, die zij hebben. Maar de hemelsen worden niet daarmee vergeleken, aangezien dezen geen erkentenissen maar innerlijke gewaarwordingen hebben. Bovendien, aangezien de sterren de nacht verlichten, want de geestelijken hebben een licht van de nacht, zoals van de maan en de sterren, in vergelijking met het licht van de dag, waarin de hemelsen zijn. Dat de geestelijken vergelijkenderwijze in het duistere zijn, zie: (1043, 2708, 2715).

Hemelse Verborgenheden 2859.

Dat de woorden 'Abraham woonde te Beerschebah', betekenen, dat de Heer deze leer zelf is, blijkt uit de betekenis van wonen, uit de uitbeelding van Abraham, en uit de betekenis van Beerschebah, waarover eerder en tevens uit hetgeen onmiddellijk voorafgaat. 'Wonen in Beerschebah', wil zeggen: in de leer zijn, maar wanneer het op de Heer betrekking heeft, betekent deze uitdrukking dit, dat Hij de leer is, zoals in de hemel wonen, wanneer het van de Heer gezegd wordt, niet alleen betekent dat Hij in de hemel is, maar ook dat Hijzelf de hemel is, want Hij is het al van de hemel, (551, 552). Dat de Heer het Woord is, is bekend, en dus is de Heer de leer, (2351), want alle leer is uit het Woord; het al van de leer in het Woord is uit de Heer en gaat over de Heer. In de innerlijke zin van het Woord wordt over niets dan over de Heer en over Zijn Rijk gehandeld, zoals herhaaldelijk is aangetoond. Het is het Goddelijk Menselijke van de Heer, waarover de innerlijke zin van het Woord in het bijzonder handelt, en het al van de leer in het Woord ten aanzien van de mens bestaat daarin, Hem te vereren en Hem lief te hebben.

Hemelse Verborgenheden 2863.

… Dat er bij de heidenen waarheden zijn kan uit vele dingen blijken; want het is bekend dat er oudtijds bij de heidenen wijsheid en inzicht was, zoals dat zij één God erkenden en over Hem op een heilige wijze schreven; ook dat zij de onsterfelijkheid van de ziel erkenden en een leven na de dood. Verder ook de gelukzaligheid van de goeden en de rampzaligheid van de bozen, en verder dat zij de voorschriften van de Tien Geboden tot wet hadden, namelijk dat God vereerd moest worden, dat ouders geëerd moeten worden, dat men niet zou doden, stelen en echtbreken, en dat men het goed van anderen niet zou begeren. Ook waren zij er niet mee tevreden in uiterlijk dingen van dien aard te zijn, maar ze wilden zo in innerlijke dingen zijn. Evenzo is het heden te dage; de hogerstaande heidenen uit alle delen van de wereld, spreken over dergelijke dingen soms beter dan de Christenen, en ook spreken zij niet alleen beter daarover, maar zij leven dienovereenkomstig. Deze en vele andere waarheden zijn bij de heidenen en verbinden zich met het goede dat zij van de Heer hebben; en door de verbinding daarvan zijn zij in een staat om nog meer waarheden te ontvangen, daar de ene waarheid de andere erkent, en zij zich geredelijk vergezelschappen, want ze houden verband met en zijn verwant aan elkaar. Dit is de reden dat zij die in het goede waren in de wereld, geredelijk de waarheden van het geloof ontvangen in het andere leven; de valsheden die bij hen zijn, verbinden zich niet met het goede, doch passen zich er slechts bij aan, maar zo, dat ze daarvan gescheiden kunnen worden. Hetgeen verbonden is, blijft, maar hetgeen is aangepast, wordt gescheiden, en het wordt gescheiden, wanneer zij de waarheden van het geloof leren en opnemen. Al het ware van het geloof verwijdert en scheidt het valse, zodat men er tenslotte van gruwt en het schuwt …

Hemelse Verborgenheden 2884.

Het vrije van de eigen- en de wereldliefde en van de begeerten ervan, is allesbehalve het vrije; het is volslagen het slaafse. Maar toch wordt het het vrije genoemd, zoals liefde, aandoening en verlustiging in beiderlei zin wordt genomen. Toch is de eigen- en de wereldliefde allesgehalve liefde, maar haat, bijgevolg evenzo de aandoening en de verlustiging daarvan. Deze worden zo genoemd naar hetgeen ze schijnen, niet naar hetgeen ze zijn.

Hemelse Verborgenheden 2896.

Het Woord in de Oudste Kerk, die vóór de vloed bestond, was geen geschreven Woord, maar het werd eenieder die tot de Kerk behoorde geopenbaard. Want zij waren hemelse mensen en dus in de innerlijke gewaarwording van het goede en het ware, zoals de engelen met wie zij ook omgang hadden, zo hadden zij het Woord in hun harten geschreven, zie: (597, 607, 895, 920, 1114 tot 1125). Daar zij hemelse mensen waren en omgang hadden met de engelen, waren voor hen alle dingen die zij zagen en met enig zintuig vatten, uitbeeldend en aanduidend voor hemelse en geestelijke dingen, die in het Rijk van de Heer zijn. Zij zagen dus weliswaar de wereldse en aardse dingen met de ogen, of vatten die met enig zintuig, maar daaruit en daardoor dachten ze over de hemelse en geestelijke dingen. Op deze en op geen andere wijze konden zij met de engelen spreken, want de dingen die bij de engelen zijn, zijn hemels en geestelijk, en wanneer zij tot de mens komen, vallen zij in dergelijke dingen als er bij de mens in de wereld zijn. Dat elk van de dingen in de wereld, de dingen die in de hemelen zijn, uitbeeldt en aanduidt, is nu van het eerste hoofdstuk van Genesis tot hiertoe aangetoond. Vandaar kwamen de dingen van uitbeeldende en aanduidende aard, die, toen de gemeenschap met de engelen begon op te houden, verzameld werden door hen, die onder Chanoch worden verstaan, en dat dit werd aangeduid door deze woorden: 'Chanoch wandelde voor zich heen met God, en niet meer, want God nam hem weg', (Genesis 5:24; 521).

Hemelse Verborgenheden 2996.

Het is in deze wereld een allerdiepste verborgenheid, terwijl niets in het andere leven meer bekend is aan iedere geest, dat alle dingen die in het menselijk lichaam zijn, een overeenstemming hebben met de dingen die in de hemel zijn. Zelfs dermate dat er zelfs niet de kleinste bijzonderheid in het lichaam is, waarmee niet iets geestelijks en hemels overeenstemt, of, wat hetzelfde is, waarmee hemelse gezelschappen niet overeenstemmen. Want deze zijn overeenkomstig alle geslachten en soorten van hemelse en geestelijke dingen, en wel in zo'n orde, dat ze tezamen één mens vormen, en dit ten aanzien van alle dingen in het algemeen en in het bijzonder, zowel de innerlijke als de uiterlijke. Dit is de reden dat de gezamenlijke hemel ook de Grootste Mens wordt genoemd, en dit is de reden dat zo vaak gezegd wordt, dat het ene gezelschap behoort tot de ene streek van het lichaam en het andere gezelschap tot een ander gebied. De oorzaak hiervan is deze, dat de Heer de enige Mens is, en de hemel Hem uitbeeldt, en dat het goddelijk goede en ware dat van Hem komt datgene is wat de hemel maakt. Van de engelen die daarin zijn wordt dan ook gezegd dat zij in de Heer zijn. Zij die echter in de hel zijn, bevinden zich buiten deze Grootste Mens en stemmen overeen met vuiligheid en verder ook met ziekten en gebreken.

Hemelse Verborgenheden 2998.

Dat er dergelijke overeenstemmingen zijn is mij door vele jaren heen zo vertrouwd geworden, dat nauwelijks iets meer vertrouwd kan zijn, ofschoon dit feit van dien aard is dat de mens niet weet dat het bestaat en niet gelooft dat hij enige verbinding met de geestelijke wereld heeft, terwijl toch alle verbinding juist uit deze overeenstemmingen voortkomt. Noch hijzelf, noch enig deel in hem zou zelfs niet een ogenblik kunnen bestaan zonder deze verbinding; zijn gehele bestaan komt er uit voort. Het is mij ook te weten gegeven welke gezelschappen van engelen tot welke streek in het lichaam behoren, en ook van welke aard zij zijn. Bijvoorbeeld welke gezelschappen en van welke aard behoren tot de streek van het hart; welke gezelschappen en van welke aard tot de streek van de longen, verder ook welke tot de streek van de lever behoren en welke tot de zintuigen, zoals tot het oog, tot de oren, tot de tong en tot de overige. Hierover zal door de goddelijke barmhartigheid van de Heer als een apart onderwerp worden gehandeld.

Hemelse Verborgenheden 3021.

… Want alle delen van het menselijk lichaam stemmen overeen met geestelijke en hemelse dingen in de Grootste Mens, die de hemel is. Zoals de dijen en de lendenen overeenstemmen met de echtelijke liefde. Deze dingen waren de Oudsten bekend en daarom hadden ze veel gebruiken die hierop berustten, onder meer ook dit, dat ze de hand onder de dij legden wanneer ze tot iets goeds van de echtelijke liefde verplicht werden. De kennis van dergelijke dingen, die bij de Oudsten in de hoogste achting stond, en tot de voornaamste dingen van hun wetenschap en inzicht behoorden, is heden ten dage volledig verloren geraakt, en wel dermate, dat men zelfs niet eens meer weet dat er een overeenstemming bestaat. Vandaar zal het wellicht verwondering wekken dat dergelijk dingen door dit gebruik worden aangeduid …

… Dat de dij de echtelijke liefde betekent, is zoals gezegd vanwege de overeenstemming, en kan ook uit andere plaatsen uit het Woord blijken, zoals uit de voorgeschreven procedure, wanneer een vrouw door haar man van echtbreuk beschuldigd werd, bij Mozes: 'De priester zal de vrouw met de eed van de vervloeking beëdigen, en de priester zal tot de vrouw zeggen: Jehovah zette u tot een vloek en tot een eed in het midden van het volk, wanneer Jehovah uw dij laat vervallen en uw buik laat zwellen. Als hij haar het water te drinken gegeven zal hebben, en het zal geschieden, indien zij bevlekt geworden is, en tegen haar man door overtreding overtreden heeft, en de wateren die vervloekt zijn, zullen in haar komen tot bitterheid, en haar buik zal zwellen en haar dij vervallen en de vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn', (Numeri 5:21, 27). Dat de dij vervallen zal, betekent het boze van de echtelijke liefde of de echtbreuk. De overige bijzonderheden die in deze procedure vermeld worden, betekenden elk afzonderlijk bepaalde dingen, zodat er niet het minste is dat niet iets insluit, hoezeer de mens ook, die zonder enige voorstelling van het heilige, het Woord leest, verwonderd zal zijn, waarom er dergelijke dingen in voorkomen …

Hemelse Verborgenheden 313

… Hierna wordt gehandeld over de voorbereiding en verlichting van de natuurlijke mens, opdat daaruit het ware, wat met het goede in het redelijke verbonden moet worden, opgeroepen zou worden. Het is met die voorbereiding en verlichting als volgt gesteld: er zijn twee lichten, die de verstandelijke dingen van de mens vormen; het licht van de hemel en het licht van de wereld. Het licht van de hemel komt van de Heer, die voor de engelen in het andere leven Zon en Maan is, zie (1053, 1521, 1529, 1530). Het licht van de wereld is uit de zon en de maan, die voor het lichamelijk gezicht verschijnen. De innerlijke mens heeft zijn gezicht en verstand van het hemelse licht; de uiterlijke mens heeft echter zijn gezicht en verstand van het wereldse licht. De invloeiing van het hemelse licht in de dingen die tot het licht van de wereld behoren, bewerkt de verlichting en tevens de waarneming. Dit is een waarneming van het ware, wanneer er overeenstemming is, en een waarneming van het valse in plaats van het ware, als er geen overeenstemming is. Maar de verlichting en de waarneming kunnen niet bestaan, wanneer er geen aandoening of liefde is, die de geestelijke warmte is, en leven geeft aan de dingen, die door het licht verlicht worden. Vergelijkenderwijs is het niet het licht van de zon dat leven geeft aan de dingen van het plantenrijk, maar de warmte die in het licht is, zoals duidelijk uitkomt in de jaargetijden. In de verzen die nu volgen, wordt de voorbereiding beschreven van de natuurlijke mens van de Heer; namelijk dat het licht van de hemel, wat het goddelijk licht van de Heer is, invloeide in de dingen die tot het licht van de wereld behoorden in Zijn natuurlijke mens, opdat Hij daaruit het ware, dat met het goede in het redelijke verbonden moest worden, zou uitleiden, dus langs de gewone weg. Hij wilde dus zoals een ander mens geboren worden, en zoals ieder ander onderricht worden, en zoals een ander wederverwekt worden. Echter met dit verschil; de mens wordt wederverwekt door de Heer, terwijl de Heer niet alleen Zichzelf wederverwekte, maar ook verheerlijkte, dat wil zeggen, Zich Goddelijk maakte. Verder ook, dat de mens door de invloed van de naastenliefde en van het geloof een nieuw mens wordt, de Heer daarentegen door de Goddelijke Liefde, die in Hem is, en die van Hem is. Hieruit kan men zien dat de wederverwekking van de mens een beeld is van de verheerlijking van de Heer, of, wat hetzelfde is, dat men in het proces van wederverwekking van de mens als in een beeld, ofschoon verwijderd, de voortgang kan zien van de verheerlijking van de Heer.

Hemelse Verborgenheden 3167.

…Ieder mens heeft een innerlijke en een uiterlijke; zijn innerlijke wordt de innerlijke mens genoemd en zijn uiterlijke de uiterlijke mens. Maar wat de innerlijke mens is en wat de uiterlijke is weinigen bekend. De innerlijke mens is dezelfde als de geestelijke mens en de uiterlijke is dezelfde als de natuurlijke mens. Het is de geestelijke mens die verstaat en wijs is door de dingen die tot het licht van de hemel behoren; maar de natuurlijke mens door de dingen die tot het licht van de wereld behoren, (3138). Want in de hemel zijn niets dan geestelijke dingen, maar in de wereld niets dan natuurlijke dingen. De mens werd zo geschapen dat het geestelijke en natuurlijke in hem, dat wil zeggen, zijn geestelijke en natuurlijke mens, zouden samenstemmen of één uitmaken. Maar dan moest de geestelijke mens alle dingen in de natuurlijke rangschikken en de natuurlijke gehoorzamen, zoals de knecht zijn heer. Maar door de val begon de natuurlijke mens zich boven de geestelijke te verheffen en keerde hij dus de goddelijke orde zelf om, en dientengevolge scheidde de natuurlijke mens zich van de geestelijke af. Hij bezat toen ook niet meer geestelijke dingen dan die, welke konden binnendringen, als het ware door spleten, en het vermogen tot denken en spreken geven. Maar opdat de geestelijke dingen opnieuw zouden invloeien in de natuurlijke mens, moest hij door de Heer wederverwekt worden, dat wil zeggen, het ware uit de natuurlijke mens moest ingewijd worden in, en verbonden met het goede in de redelijke mens. Wanneer dit geschiedt, naderen de geestelijke dingen de natuurlijke mens, want dan vloeit het licht van de hemel in en verlicht de dingen die in de natuurlijke mens zijn, en maakt dat de dingen die daar zijn, het licht ontvangen, de goedheden daarin de warmte van het licht, dat wil zeggen, de liefde en de naastenliefde, het ware echter de stralen van het licht, dat wil zeggen, het geloof. Op deze wijze bezitten het natuurlijk goede en het natuurlijk ware geestelijke dingen daarvandaan. Dan is het natuurlijk goede alle bekoring en verlustiging vanwege het einddoel, het geestelijke te dienen, en zo dus de naaste, in meerdere mate de gemeenschap, nog meer het Rijk van de Heer en boven alles de Heer. Het natuurlijk ware is al het leerstellige en de feitenkennis, met als doel wijs te zijn, dat wil zeggen 'deze dingen te doen.

Hemelse Verborgenheden 3195.

Dat de woorden: 'en hij woonde in het land van het zuiden', (Genesis 24:62), betekenen, dus in het goddelijk licht, blijkt uit de betekenis van wonen, wat leven is, (1293), en heeft betrekking op het goede, (2268, 2451, 2712); en uit de betekenis van het land van het zuiden, wat het goddelijk licht is, want het zuiden betekent het licht, en wel het licht van het inzicht, dat wijsheid is, (1458). Maar 'het land van het zuiden', betekent de plaats en de staat waar het licht is …

In het Woord wordt herhaaldelijk van licht melding gemaakt en in de innerlijke zin wordt daarmee het ware aangeduid dat uit het goede voortkomt. Maar in de hoogste zin wordt door het licht de Heer Zelf aangeduid, omdat Hij het Goede en het Ware Zelf is. Er is ook inderdaad licht in de hemel, maar oneindig veel blinkender dan het licht op aarde, (1053, 1117, 1521 tot 1533, 1619 tot 1632). In dit licht zien geesten en engelen elkaar en door middel van dit licht is al de heerlijkheid die in de hemel is, zichtbaar. Ten aanzien van het lichtende verschijnt dit licht weliswaar als het licht in de wereld, maar toch is het daaraan niet gelijk, want het is niet natuurlijk, maar geestelijk en draagt wijsheid in zich, zodat het niets anders is dan wijsheid die op deze wijze voor hun ogen blinkt. Vandaar dan ook, dat hoe wijzer de engelen zijn, in des te blinkender licht zij zijn, (2776). Dit licht verlicht ook het verstand van de mens, vooral dat van de wederverwekte mens, maar het wordt door de mens niet waargenomen, zolang hij in het leven van het lichaam is; de oorzaak hiervan is het licht van de wereld dat heerst. De boze geesten in het andere leven zien elkaar ook en ook zij zien verschillende dingen van uitbeeldende aard die ontstaan in de geestenwereld. Deze ontstaan weliswaar krachtens het licht van de hemel, maar het is een schijnsel zoals van een kolenvuur, want in een dergelijk schijnsel wordt het licht van de hemel veranderd, wanneer het tot hen komt. Wat de oorsprong zelf van het licht betreft, dit was van eeuwigheid aan van de Heer alleen, want het Goddelijk Goede zelf en het Goddelijk Ware zelf, waaruit het licht voortkomt, is de Heer. Het Goddelijk Menselijke dat van eeuwigheid aan was, (Johannes 17:5), was dat Licht zelf. Omdat dit licht het menselijk geslacht niet meer kon bereiken, omdat dit zich zover had verwijderd van het goede en ware, dus van het licht, en zichzelf in duisternis had gestort, wilde de Heer door middel van de geboorte het menselijke zelf aantrekken. Op deze wijze kon Hij niet alleen de redelijke maar ook de natuurlijke dingen van de mens verlichten. Hij maakte immers zowel het redelijke als het natuurlijke in Zichzelf Goddelijk, opdat Hij ook een licht zou kunnen zijn voor hen die in zo'n dikke duisternis waren. Dat de Heer het Licht is, dat wil zeggen, het Goede zelf en het Ware zelf, en dat dus uit Hem alle inzicht en wijsheid voortkomt, dus alle heil, kan uit tal van plaatsen in het Woord blijken, zoals bij Johannes: 'In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en God was het Woord; in Hem was het leven, en het leven was het licht der mensen; Johannes kwam om van het licht te getuigen, hij was dat licht niet, maar opdat hij van het licht getuigen zou; het was het ware licht, dat verlicht ieder mens, komende in de wereld', (Johannes 1:1,4,7,8,9). Het Woord was het Goddelijk Ware, dus de Heer Zelf ten aanzien van het Goddelijk Menselijke, waarvan gezegd wordt, dat het Woord bij God was, en dat God het Woord was. Bij dezelfde: 'Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, maar de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht', (Johannes 3:19); het licht staat voor het Goddelijk Ware. Bij dezelfde: 'Jezus zei: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben', (Johannes 8:12). Bij dezelfde: 'Nog een korte tijd is het licht met ulieden, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange; terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij zonen van het licht moogt zijn', (Johannes 12:35,36). Bij dezelfde: 'Die Mij ziet, ziet Hem, die Mij gezonden heeft, Ik ben een licht, in de wereld gekomen, opdat eenieder, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve', (Johannes12:45,46). Bij Lukas: 'Mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken, een licht tot openbaring voor de heidenen, en de heerlijkheid van Uw volk Israël', (Lukas 2:30,31,32), de profetie van Simeon aangaande de Heer, toen Hij geboren was. Bij Matthéüs: 'Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen die zaten in de streek en de schaduw des doods, voor hen is een licht opgegaan', (Matthéüs 4:16; Jesaja 9:1). In deze plaatsen blijkt duidelijk dat de Heer ten aanzien van het Goddelijk Goede en Ware in het Goddelijk Menselijk, Licht wordt genoemd. Eveneens in de profetieën van het Oude Testament, zoals bij Jesaja: 'Het licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam', (Jesaja 10:17). Bij dezelfde: 'Ik, Jehovah, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u geven tot een verbond van het volk, en tot een licht van de heidenen', (Jesaja 42:6). Bij dezelfde: 'Ik heb u gegeven tot een licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde', (Jesaja 49:6). Bij dezelfde: 'Sta op, verlicht, want Uw licht is gekomen, en de heerlijkheid van Jehovah is over u opgegaan; de heidenen zullen tot Uw licht gaan, en koningen tot de glans van Uw opgang', (Jesaja 60:1,3). Dat al het licht van de hemel, dus de wijsheid en het inzicht, van de Heer komt, bij Johannes: 'De heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar echtgenoot versierd is, behoeft de zon niet, en de maan niet, dat zij in dezelve zouden lichten; de heerlijkheid Gods zal haar verlichten, en het Lam is haar lamp', (Openbaring 21:2, 23). Ten aanzien van hetzelfde verder nog: 'Aldaar zal geen nacht zijn, en zij hebben geen lamp noch licht van de zon nodig, want de Heer God verlicht hen', (Openbaring 22:5). Ook bij Jesaja: 'De zon zal u niet meer wezen tot een licht overdag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar Jehovah zal u wezen tot een licht der eeuwigheid, en uw God tot uw sierlijkheid; uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan zal niet ingetrokken worden, want Jehovah zal u tot een licht der eeuwigheid wezen', (Jesaja 60:19, 20). 'De zon zal niet meer wezen tot een licht overdag en tot een glans zal de maan niet lichten', wil zeggen dat dit het geval zal zijn niet met de dingen die tot het natuurlijk licht behoren, maar met de dingen die tot het geestelijk licht behoren, die daarmee worden aangeduid, dat Jehovah tot een licht der eeuwigheid zal wezen. Dat Jehovah hier en elders in het Oude Testament genoemd, de Heer is, zie: (1343, 1736, 2156, 2329, 2921, 3023, 3035). Dat Hij het licht van de hemel is, openbaarde Hij ook aan de drie discipelen: Petrus, Jakobus en Johannes, namelijk 'toen Hij van gedaante veranderd werd, blonk Zijn aangezicht, gelijk de zon, maar Zijn klederen werden gelijk het licht', (Matthéüs 17:2). 'het aangezicht gelijk de zon', was het Goddelijk Goede; 'de klederen gelijk het licht', het Goddelijk Ware. Hieruit kan men weten wat bedoeld wordt met de uitdrukking in de zegen: 'Jehovah doe Zijn aangezichten over u lichten, en erbarme Zich uwer', (Numeri 6:25); dat de aangezichten van Jehovah de barmhartigheid, de vrede en het goede zijn, zie: (222, 223), en dat de zon de Goddelijke liefde is, dus dat het de Goddelijke liefde van de Heer is, die als een Zon in de hemel van de engelen verschijnt, (30 tot 38, 1053, 1521, 1529, 1530, 1531, 2441, 2495).

Hemelse Verborgenheden 3217.

Als bij de engelen sprake is van verstandelijke dingen, verschijnen in de wereld der geesten onder hen, of in de gezelschappen die overeenstemmen, paarden en wel naar grootte, vorm, kleur en houding overeenkomstig de voorstellingen die de engelen over de verstandelijke dingen hebben. Ook zijn deze paarden op verschillende wijze opgetuigd. Er is ook een plaats van enige diepte, een weinig naar rechts, die de woonplaats van de inzichtsvollen wordt genoemd; er verschijnen daar voortdurend paarden. De reden is dat degenen die zich daar bevinden over het verstandelijke nadenken, en wanneer een gesprek van de engelen over verstandelijke dingen handelt en bij hen in hun gedachten invloeit, worden paarden uitgebeeld. Hieruit kon blijken wat door de paarden die de profeten zagen, werd aangeduid, en ook de in het Woord vermelde paarden, namelijk de verstandelijke dingen, (2769, 2761, 2762).

Hemelse Verborgenheden 3219.

Wanneer de engelen in gesprek zijn over gedachten en voorstellingen en over de invloeiing, verschijnen in de wereld der geesten als het ware vogels, gevormd overeenkomstig het onderwerp van hun gesprek. Dit is de reden waarom de vogels in het Woord de redelijke dingen betekenen of die dingen die tot de gedachte behoren, zie: (40, 745, 776, 991). Eens zag ik enkele vogels, een was duister en wanstaltig, maar twee andere edel en mooi, en toen ik ze zag, zie, daar stormden enige geesten in mij binnen met zulk een hevigheid, dat ze in mijn zenuwen en beenderen een siddering teweeg brachten. Ik was van mening, dat boze geesten toen, als herhaaldelijk eerder, in mij binnendrongen, in een poging om mij te verderven; maar dat was niet zo. Toen de siddering ophield en ook de beweging van de geesten die mij bestormden, sprak ik met hen en vroeg, wat er toch aan de hand was. Ze zeiden dat ze neergevallen waren uit een zeker gezelschap van engelen, waarin gesproken werd over de gedachten en de invloeiing, en dat zij van mening waren, dat de dingen die tot de gedachte behoren, van buiten invloeien, te weten, door middel van de uiterlijke zinnen, overeenkomstig de schijn. Maar de hemelse gezelschappen waarin ze zich bevonden, waren van mening, dat ze van binnen invloeien; en dat ze, terwijl ze in het valse waren, van daar waren neergevallen; niet dat zij neergeworpen waren, want de engelen werpen niemand van zich neer, maar aangezien zij in valsheid waren, vielen ze uit zichzelf van daar neer en dit was de oorzaak. Hierdoor werd mij te weten gegeven dat het gesprek in de hemel over de gedachten en de invloed door vogels werd uitgebeeld, en het gesprek van degenen die in het valse zijn, door duistere en wanstaltige vogels; maar het gesprek van degenen die in het ware zijn, door edele en mooie vogels. Tevens werd ik daarin onderricht, dat alle dingen van de gedachte van binnen invloeien en dus niet van buiten, hoewel het zo schijnt. Er werd gezegd dat het tegen de orde is dat het latere invloeit in het eerdere, of het grovere in het fijnere, dus dat het lichaam invloeit in de ziel.

Hemelse Verborgenheden 3222.

Voorts worden de liefden en haar aandoeningen uitgebeeld door vlammen, en dit met onuitsprekelijke verscheidenheid. Waarheden worden echter uitgebeeld door lichten, en door ontelbare schakeringen van licht. Hieruit kan blijken vanwaar het komt, dat in het Woord door vlammen de goedheden worden aangeduid, die van de liefde zijn, en door lichten de waarheden die van het geloof zijn.

Hemelse Verborgenheden 3246.

Uit wat eerder meermalen werd aangetoond, (3235) over diegenen die het geestelijk Rijk van de Heer uitmaken en geestelijken worden genoemd, kan blijken, dat zij geen zonen zijn van het huwelijk zelf van het goede en het ware, maar uit een zeker verbond, dat niet zo echtelijk is. Weliswaar zijn zij uit dezelfde vader, maar niet uit dezelfde moeder; dat wil zeggen, zij zijn uit hetzelfde Goddelijk Goede, maar niet uit hetzelfde Goddelijk Ware. Want daar de hemelsen uit het huwelijk zelf van het goede en het ware zijn, hebben zij het goede en vandaar het ware, daarom vorsen zij nooit na wat waar is, maar dit worden zij innerlijk uit het goede gewaar. Ook is er bij hen over het ware niet verder sprake dan dat het zo is …

… Maar de geestelijken die dus niet uit zo'n echtelijk verbond zijn, weten niet uit enige innerlijke gewaarwording wat het ware is, maar zij noemen datgene waar wat hun door ouders en leermeesters als waar is meegedeeld, en daarom is er bij hen niet het huwelijk van het goede en het ware. Toch wordt het ware dat zij op deze wijze geloven door de Heer voor waar aangenomen, wanneer zij in het goede van het leven zijn, (1832) …

Oudtijds was het, opdat zowel de hemelsen als de geestelijken zouden worden uitgebeeld, toegestaan, behalve een echtgenote ook een bijwijf te hebben. Dit bijwijf werd aan de echtgenoot gegeven door de echtgenote en werd dan zijn vrouw genoemd, of er werd van haar gezegd dat zij hem tot een vrouw gegeven was …

… Dat deze Ouden behalve hun echtgenote bijwijven hadden …, was uit toelating ter wille van de uitbeelding, namelijk van de hemelse Kerk door de echtgenote, en van de geestelijke Kerk door het bijwijf. Het was uit toelating, aangezien ze van dien aard waren dat ze geen echtelijke liefde hadden en dus was het huwelijk voor hen ook geen huwelijk, maar slechts een vleselijke koppeling ter wille van het voortbrengen van kroost. Voor hen konden er toelatingen zijn zonder kwetsing van de echtelijke liefde en van het daaruit voortvloeiende verbond, maar nooit voor hen die in het goede en ware zijn en die innerlijke mensen zijn of kunnen worden; want zodra een mens in het goede en ware is en in innerlijke dingen, houden dergelijke dingen op. Dit is de reden, waarom het de Christenen niet veroorloofd is, zoals het de Joden was, aan de echtgenote voor zichzelf enig bijwijf toe te voegen, en dat zo iets echtbreuk is…

Hemelse Verborgenheden 3249.

Dat de woorden 'oostwaarts naar het land van het oosten', betekenen naar het goede van het geloof, blijkt uit de betekenis van het oosten en van het land van het oosten. Het goede van het geloof, dat wordt aangeduid door het land van het oosten, is niets anders dan dat, wat in het Woord 'liefde jegens de naaste' wordt genoemd, en liefde jegens de naaste is niets anders dan een leven overeenkomstig de geboden van de Heer. Dat door het land van het oosten dit wordt aangeduid, zie: (1250). Daarom werden zij die in de erkentenissen van het goede van het geloof waren, zonen van het oosten genoemd.

Hemelse Verborgenheden 3263.

… Wat de geestelijke Kerk van de Heer betreft, moet men weten, dat die zich over het gehele aardrijk uitstrekt, want ze is niet beperkt tot hen, die het Woord hebben en vandaar de Heer kennen en enkele waarheden van het geloof, maar deze Kerk is ook bij hen die het Woord niet hebben en dus in volslagen onwetendheid verkeren ten aanzien van de Heer, en dus bijgevolg geen enkele waarheid van het geloof weten - want alle waarheden van het geloof betreffen de Heer - dat wil zeggen, bij de van de Kerk verwijderde heidenen, want er zijn verscheidenen onder hen, die door een redelijk schijnsel weten, dat er één God is, dat Hij alle dingen heeft geschapen en dat Hij alle dingen in stand houdt, voorts dat van Hem al het goede, en dus al het ware komt, en dat de gelijkenis met Hem de mens zalig maakt. En bovendien leven zij overeenkomstig hun godsdienstigheid, in de liefde tot die God, en in de liefde jegens de naaste; uit de aandoening van het goede, doen zij de werken van de naastenliefde, en uit de aandoening van het ware vereren zij het Hoogste Wezen. Zij, die onder de heidenen van deze aard zijn, zijn diegenen, die zich in de geestelijke Kerk van de Heer bevinden; en hoewel zij, zolang zij in de wereld zijn, van de Heer niets weten, hebben zij toch in zich de eredienst en de stilzwijgende erkenning van Hem, wanneer zij in het goede zijn, want in al het goede is de Heer tegenwoordig. Daarom erkennen zij Hem in het andere leven dan ook geredelijk, en ontvangen zij meer dan de Christenen, die niet zozeer in het goede zijn, de waarheden van het geloof in Hem, zoals blijken kan uit wat over de staat en het lot van de naties en volken buiten de Kerk in het andere leven uit ondervinding is onthuld, (2589 tot 2604). Het natuurlijk schijnsel dat zij hebben, heeft het geestelijke in zich, want zonder het geestelijke, dat van de Heer komt, kunnen dergelijke dingen nooit erkend worden…

Hemelse Verborgenheden 3341.

Aangezien de uitbeeldingen in het andere leven niet kunnen bestaan dan door verschillen van licht en schaduw, moet men weten, dat alle licht, dus alle inzicht en wijsheid van de Heer komt; en dat alle schaduw, dus alle waanzin en dwaasheid van het eigene komt dat de mens, de geest en de engel heeft. Uit deze beide oorsprongen vloeien voort en van deze beide worden afgeleid alle wisselingen die tot het licht en de schaduw in het andere leven behoren.

Hemelse Verborgenheden 3350.

Opdat duidelijk mag uitkomen van welke aard de uitbeeldende dingen zijn, mag nog een voorbeeld aangehaald worden: ik hoorde zeer vele engelen van de inwendige hemel, die tezamen of in gemeenschap een uitbeelding vormden. De geesten rondom mij konden dit niet gewaar worden, dan alleen door een bepaalde invloed van een inwendige aandoening. Het was een koor waarin deze vele engelen gezamenlijk hetzelfde dachten en hetzelfde spraken. Door uitbeeldingen vormden zij een gouden kroon met diamanten om het hoofd van de Heer. Dit vond tevens plaats door snel opeenvolgende reeksen van uitbeeldingen, zoals die van de gedachte en van de spraak, zie: (3342, 3343, 3344). Wat wonderbaarlijk is, hoewel het er zeer velen waren, dachten en spraken zij niettemin allen als één, zo beeldden zij uit als één, en dit omdat niemand uit zichzelf iets anders wilde doen, nog minder boven de overigen staan en het koor leiden. Wie dit doet wordt onmiddellijk vanzelf afgescheiden; maar zij lieten zich wederkerig door elkaar leiden, dus allen in het bijzonder en in het algemeen door de Heer. In dergelijke harmonieën worden alle goede mensen gebracht die in het andere leven komen. Daarom werden zeer vele koren gehoord die verschillende uitbeeldende dingen vertoonden, en hoewel het vele koren waren en velen in elk koor, handelden zij niettemin als één, want uit de vorm van verschillende dingen kwam een geheel voort, waarin hemelse schoonheid lag. Zo kan dus de gehele hemel, die uit myriaden van myriaden bestaat, als één tezamen werken, omdat zij in de wederkerige liefde zijn, want op deze wijze laten zij zich door de Heer leiden. En het wonderbaarlijke is, hoe meer het er zijn; dat wil zeggen hoe meer myriaden die de hemel uitmaken, des te scherper onderscheiden en des te volmaakter zijn alle dingen tot in bijzonderheden; en ook, hoe innerlijker de hemel is, waartoe de engelen behoren, want alle volmaaktheid neemt meer en meer toe naar de innerlijker dingen.

Hemelse Verborgenheden 3356.

Dat de aardbeving de verandering van staat is, (Matthéüs 24:3-8; Ezechiël 38:18-29; Joël 2:10; Jesaja 38:18-20; Psalm 18:7,8; Apocalyps 6:12,13; 11:13), vindt hierin zijn oorzaak, de beving vindt plaats in ruimte en tijd en in het andere leven is er geen voorstelling van ruimte en tijd, maar in plaats daarvan een voorstelling van staat. In het andere leven verschijnen alle dingen weliswaar als in de ruimte en volgen ze elkaar op als in de tijd, maar in zichzelf zijn ruimte en tijd daar veranderingen van staat, want daaruit komen zij voort. Dit is iedere geest overbekend, ook de boze, die door in anderen gebrachte veranderingen van staat bewerkstelligen, dat zij op een andere plaats verschijnen, terwijl ze daar niet zijn. Ook de mens kan het bekend zijn uit het feit dat voor zoveel de mens in de staat van de aandoeningen en van de daaruit voortvloeiende vreugde is, en voor zoveel hij in de staat van de gedachten en vandaar in de staat van de afwezigheid van het lichaam is, hij niet in de tijd is, want verscheidene uren schijnen hem dan nauwelijks als één uur toe. De reden hiervan is deze; omdat zijn innerlijke mens of geest staten heeft, waarmee de ruimten en tijden in de uiterlijke mens overeenstemmen. Daarom is de beving - omdat die een geleidelijke voortgang in ruimte en tijd is - in de innerlijke zin een verandering van staat.

Hemelse Verborgenheden 3413.

Dat de woorden: 'en vulden dezelve met stof', (Genesis 26:15) betekenen, door aardse dingen, dat wil zeggen, door eigenliefde en liefde tot gewin, blijkt uit de betekenis van stof, dus datgene wat van dien aard is, (249). De inwendige zin is deze, dat zij die Filistijnen worden genoemd, dat wil zeggen, die niet in het leven maar in de leer zijn, de inwendige waarheden in vergetelheid brengen door aardse liefden, te weten: de eigenliefde en de liefde tot gewin. Vanwege deze liefden werden zij 'onbesnedenen' genoemd, (2039, 2044, 2056, 2632). Want zij die in deze liefden zijn, kunnen niet anders dan de putten van Abraham met stof vullen, dat wil zeggen, de inwendige waarheden van het Woord in vergetelheid brengen door aardse dingen; want vanwege deze liefde kunnen zij geenszins de geestelijke dingen zien, dat wil zeggen, die dingen die tot het uitgaande licht van het ware van de Heer behoren, want liefden voeren duisternis binnen en deze blust dit licht uit. Zoals eerder gezegd, (3412), worden zij die in de wetenschap alleen en niet in het leven zijn, bij de nadering van het uitgaande licht van het ware dat van de Heer komt, geheel en al verduisterd en stompzinnig, ja zelfs worden zij van dien aard, dat ze woedend worden, en op alle mogelijke manieren de waarheden trachten te verstrooien. De eigenliefde en de liefde tot gewin is van dien aard dat ze niet duldt, dat iets van het ware, dat van het Goddelijke uitgaat, haar nabij komt. Niettemin kunnen zulke personen zich daarop beroemen en daarmee pronken, dat zij de waarheden weten, ja zelfs prediken zij deze met een soort van ijver, maar het zijn de vuren van de liefden, die hen ontsteken en aandrijven; de ijver is slechts de gloed ervan. Dit blijkt voldoende hieruit dat zij met een dergelijke ijver of gloed tegen hun eigenlijke leven zelf kunnen prediken. Dit zijn de aardse dingen, waarmee het Woord zelf, dat de fontein van al het ware is, verstopt wordt …

Hemelse Verborgenheden 3518.

… Het huiselijk natuurlijk goede is dat goede wat de mens aan zijn ouders ontleent, of waarin hij geboren is, geheel en al onderscheiden van het goede van het natuurlijke, dat van de Heer invloeit… Bovendien ontvangt elk mens het huiselijk goede van zijn vader en moeder; dit tweeërlei goede is ook onderling ondergescheiden. Dat wat hij van de vader ontvangt, is inwendig, dat wat hij van de moeder ontvangt is uitwendig. Bij de Heer waren deze goedheden uiterst onderscheiden, want het goede dat Hij van de Vader had, was immers Goddelijk, maar dat wat Hij van de moeder had, was besmet met het erfboze. Dat goede in het natuurlijke, wat de Heer van de Vader had, was Zijn Eigene, omdat het Zijn leven zelf was …

… Het goede dat de mens aan zijn ouders ontleent, dient allereerst voor zijn hervorming, want daardoor worden, als door een lust en bekoring, de wetenschappelijke dingen binnengeleid, en daarna de erkentenissen van het ware. Maar nadat het als middel tot dit nut gediend heeft, wordt het daarvan afgescheiden en dan ontstaat het geestelijk goede en komt tevoorschijn …

Hemelse Verborgenheden 3624.

Ten aanzien van de overeenstemming met de Grootste Mens, die de hemel is, van alle organen en leden, zowel inwendig als uitwendig van het menselijk wezen, is het nu veroorloofd, wonderbaarlijke dingen mee te delen en te beschrijven, die, voor zover ik weet, tot dusver nog niemand bekend waren en zelfs niet in enig gemoed zijn opgekomen, namelijk dat de gezamenlijke hemel zodanig gevormd is, dat hij overeenstemt met de Heer, met Zijn Goddelijk Menselijke; en dat de mens zodanig gevormd is, dat hij naar alle dingen en elk ding in het bijzonder bij hem, overeenstemt met de hemel en door de hemel met de Heer. Dit is het grote mysterie dat nu onthuld moet worden.

Hemelse Verborgenheden 3625.

Dit is de reden waarom soms in het voorafgaande, als er sprake was van de hemel of de gezelschappen van engelen, werd gezegd, dat ze behoren tot de een of andere streek van het lichaam, zoals tot die van het hoofd, of van de borst, of de buik, of van enig lid of orgaan daarin; dit is dus vanwege de genoemde overeenstemming.

Hemelse Verborgenheden 3626.

Dat er een dergelijke overeenstemming bestaat, is in het andere leven zeer wel bekend, niet alleen aan de engelen maar ook aan de geesten en zelfs aan de bozen. De engelen weten daardoor de diepste verborgenheden die in de mens zijn, en de diepste verborgenheden die in de wereld en in de gehele natuur zijn. Dit bleek mij vaak hieruit, dat wanneer ik over enig deel van de mens sprak, zij niet alleen de gehele stuctuur van dat deel wisten, de werking en het nut, maar nog ontelbare andere dingen, meer dan een mens ooit in staat is na te vorsen, ja, zelfs te begrijpen, en dit alles in de juiste ordening en in hun verband. Ze weten dit door inzicht in de hemelse orde, die zij kunnen volgen en waarmee de ordening van dit deel overeenstemt. Zo weten zij, omdat ze in de eerste beginselen zijn, daardoor de dingen die daaruit voortkomen.

Hemelse Verborgenheden 3627.

Het is een algemene regel dat niets kan bestaan en blijven bestaan uit zichzelf, maar uit iets anders, dat wil zeggen, door middel van iets anders. Eveneens dat niets in een vorm gehouden kan worden tenzij vanuit iets anders, dat wil zeggen, door middel van iets anders, zoals blijkt uit alles en elk ding in de natuur. Dat het menselijk lichaam aan de buitenzijde in zijn vorm wordt gehouden door de atmosferen is bekend; en wanneer het niet ook aan de binnenzijde in zijn vorm gehouden werd door een werkende of levende kracht, zou het terstond uiteen vallen. Al wat niet verbonden is door hetgeen daaraan voorafgaat, en door middel van de voorafgaande dingen door het 'eerste', gaat ogenblikkelijk te gronde. Dat de Grootste Mens, of de daaruit voortvloeiende invloed, dit eerdere is, door middel waarvan de mens ten aanzien van al en elk van zijn dingen is verbonden met het 'eerste', dat wil zeggen met de Heer, zal in hetgeen volgt duidelijk blijken.

Hemelse Verborgenheden 3628.

Ik ben hierover dikwijls door ervaring onderricht, en wel, dat niet alleen de dingen die tot het menselijk gemoed behoren, namelijk tot zijn gedachten en aandoeningen met de geestelijke en hemelse dingen die door de Heer tot de hemel behoren, overeenstemmen, maar ook in het algemeen de gehele mens. In het bijzonder al wat in de mens is, en wel dermate, dat er niet het kleinste deel is, noch zelfs het allerkleinste deeltje van een deel, dat niet overeenstemt. Voorts dat de mens daardoor bestaat en voortdurend blijft bestaan. Wanneer er niet een dergelijke overeenstemming was van de mens met de hemel, en door de hemel met de Heer, dus met hetgeen daaraan voorafgaat, en door de eerdere dingen met het 'eerste', zou de mens zelfs geen ogenblik blijven bestaan, maar tot niets uiteenvallen. Er zijn altijd twee krachten, die, als eerder gezegd, elk ding in zijn verband en in zijn vorm houden, namelijk een kracht die van buiten werkt en een kracht die van binnen werkt; in het midden daarvan is datgene wat in verband en in vorm wordt gehouden. Het is ook zo gesteld met de mens ten aanzien van ieder deel van hem, zelfs het allerkleinste. Dat het de atmosferen zijn die van buiten het gehele lichaam in verband houden door een voortdurende druk of een soort 'tegenaan leunen', en de daaruit voortvloeiende werkende kracht, is bekend. Het is ook bekend dat de atmosfeer die als lucht de longen binnenvloeit, deze in hun vorm en verbinding houdt en evenzo haar eigen orgaan dat het oor is, met de vormen die daar binnenin zijn samengesteld voor de veranderingen van de lucht. Het is ook bekend dat de etheratmosfeer op dezelfde wijze de inwendige verbindingen samenhoudt, want deze vloeit onbelemmerd door alle poriën heen, en houdt de inwendige delen van het gehele lichaam onafscheidelijk in hun vormen door bijna dezelfde druk of aanleunende zwaarte en de daaruit voortvloeiende werkende kracht. Diezelfde atmosfeer houdt haar orgaan dat het oog is, in stand met de vormen daar binnen opgebouwd voor de veranderingen van de ether. Wanneer met deze dingen geen innerlijke krachten overeenstemden, die tegen deze uiterlijke krachten inwerkten, en dus de tussenvormen in verband en evenwicht hielden, zouden deze zelfs niet één ogenblik bestaan. Hieruit blijkt duidelijk dat er noodzakelijk twee krachten moeten zijn, opdat iets bestaat en blijft bestaan. De krachten die van binnen invloeien en werken, komen uit de hemel en door de hemel van de Heer en hebben het leven in zichzelf. Dit blijkt heel duidelijk uit het orgaan van het gehoor; wanneer er geen inwendige veranderingen van vorm waren, die tot het leven behoren, waarmee de uitwendige veranderingen van vorm die tot de lucht behoren, overeenstemden, zou er geen gehoor zijn. Dit blijkt ook uit het orgaan van het gezicht; wanneer er geen inwendig licht was dat tot het leven behoort, waarmee het uitwendig licht dat tot de zon behoort, overeenstemde, zou het gezicht nooit bestaan. Zo is het ook gesteld met de overige organen en leden in het menselijk lichaam; er zijn van buiten werkende krachten, die natuurlijk zijn en niet levend in zichzelf, en er zijn van binnen werkende krachten, levend in zichzelf, die elk ding samenhouden en maken dat alle dingen leven en wel overeenkomstig de vorm, zoals die aan hen tot hun nut gegeven is.

Hemelse Verborgenheden 3629.

Weinigen kunnen geloven dat dit zo is, omdat men niet weet wat het geestelijke en wat het natuurlijke is, en nog minder hoe die onderling onderscheiden zijn, en evenmin wat overeenstemming is en wat invloeiing. Het geestelijke, als het in de organische vormen van het lichaam vloeit, brengt de levende werkingen teweeg zoals deze zich laten zien. Zonder een dergelijke invloed en zonder een dergelijke overeenstemming zou zelfs niet het allerkleinste deeltje van het lichaam leven kunnen hebben, noch bewogen kunnen worden. Hoe het met deze zaken is gesteld, ben ik door levende ondervinding ingelicht; niet alleen dat de hemel in het algemeen invloeit, maar ook de gezelschappen in het bijzonder en ook welke gezelschappen het zijn en van welke aard ze zijn die in de verschillende organen en leden invloeien. Verder dat het niet één enkel gezelschap is dat in elk orgaan of lid invloeit, maar zeer vele; en dat er in elk gezelschap ook zeer velen zijn. Want hoe meer er zijn, des te beter en des te sterker is de overeenstemming, aangezien de volmaaktheid en de sterkte afhangen van de eensgezinde menigte van velen, die als één werken in een hemelse vorm. Hieruit spruit in elke bijzonderheid een streven voort, dat des te volmaakter en sterker is naarmate het aantal groter is.

Hemelse Verborgenheden 3630.

Hieruit kan blijken dat alle inwendige delen en leden, of alle bewegings- en gevoelsorganen, een voor een overeenstemmen met gezelschappen in de hemel, dus als het ware met even zovele onderscheiden hemelen. Hieruit, dat wil zeggen door middel van deze, vloeien de hemelse en geestelijke dingen bij de mens in, en wel in geschikte en overeenkomende vormen en brengen op deze wijze de werkingen teweeg die zich aan de mens vertonen. Maar deze werkingen vertonen zich niet anders dan natuurlijk aan de mens, dus onder een geheel andere vorm en gedaante, zodat die niet herkend kunnen worden als van hemelse oorsprong te zijn.

Hemelse Verborgenheden 3631.

Eens werd het mij op volkomen levende wijze aangetoond, welke en hoedanige gezelschappen het zijn, en hoe die invloeien en handelen, die de streek van het aangezicht uitmaken, en invloeien in de spieren van voorhoofd, wangen, kin en nek, en hoe deze gezelschappen onderling in verbinding staan. Ten einde dat dit op levende wijze zou worden voorgesteld, werd het hun vergund, op verschillende manieren door middel van invloed een aangezicht uit te beelden. Hierbij werd mij getoond welke en hoedanige gezelschappen invloeien in de lippen, in de tong, in de ogen en in de oren. Het werd mij ook gegeven met hen te spreken en dus volledig onderricht te worden. Hieruit kon ook blijken dat allen die in de hemel komen, organen of ledematen van de Grootste Mens zijn; en ook dat de hemel nooit gesloten wordt, maar dat hoe groter het aantal is, des te sterker de kracht en des te sterker de werking. Voorts dat de hemel van de Heer onmetelijk is en wel zo onmetelijk dat het alle geloof te boven gaat. De inwoners van deze wereld zijn naar verhouding uiterst gering in aantal en bijna zoals een meer ten opzichte van een oceaan.

Hemelse Verborgenheden 3632.

De goddelijke orde en vandaar de hemelse orde vinden hun uiterste bij de mens in zijn lichamelijke dingen, namelijk: in zijn gebaren, in zijn handelingen, gelaatstrekken, spraak, uiterlijke gevoelens en in de verlustigingen daarvan. Dit zijn de uitersten van de ordening, en de uitersten van de invloed die dan hun einde vinden. Maar de innerlijker dingen die invloeien zijn niet van dien aard zoals die in de uiterlijke dingen verschijnen. Deze hebben een geheel andere verschijning en een geheel andere uitdrukking, een geheel ander gevoelen en zijn van een geheel andere neiging. De overeenstemmingen leren van welke aard deze zijn, alsmede de uitbeeldingen waarover gehandeld is. Dat ze anders zijn kan blijken uit de handelingen die vanuit de wil vloeien, en uit de spraak die uit de gedachte voortkomt. De handelingen van het lichaam zijn niet zodanig als in de wil, en de uitdrukkingen van de spraak zijn evenmin zodanig als in de gedachte. Hieruit kan ook duidelijk blijken dat natuurlijke handelingen aan geestelijke dingen ontspringen, want de dingen die tot de wil en tot de gedachte behoren, zijn geestelijk. Deze geestelijke dingen worden op overeenstemmende dingen afgebeeld, in deze natuurlijke handelingen, maar toch op een geheel andere wijze.

Hemelse Verborgenheden 3633.

Alle geesten en engelen verschijnen aan zichzelf als mensen, met eenzelfde gezicht en met eenzelfde lichaam, met organen en ledematen. De oorzaak hiervan is dat hun meest innerlijke, naar een dergelijke vorm streeft, zoals het eerste beginsel van de mens, dat uit de ziel van de ouder voortkomt, streeft naar de vorming van de gehele mens in het ei en in de baarmoeder, hoewel dit eerste beginsel niet in de vorm van het lichaam is, maar in een andere allervolmaakste vorm, die alleen aan de Heer bekend is, en omdat het binnenste evenzo bij eenieder streeft en dringt naar een dergelijke vorm, verschijnen allen daar als mensen. Bovendien is de gezamenlijke hemel van dien aard, dat eenieder als het ware het middelpunt van allen is, want hij is een middelpunt van invloeden door de hemelse vorm die van allen uitgaat. Vandaar ontspringt een beeld van de hemel in elk mens, en maakt hem aan zichzelf gelijk, dus een mens; want zoals het algemene is, is het deel van het algemene, want de delen moeten gelijk zijn aan hun algemeenheid, opdat ze hiertoe behoren.

Hemelse Verborgenheden 3634.

Een mens bij wie overeenstemming bestaat, dat wil zeggen, die in de liefde tot de Heer en in de naastenliefde tot de naaste is en vandaar in het geloof, is met zijn geest in de hemel en met zijn lichaam in de wereld. Hij handelt als één met de engelen en is dan ook een beeld van de hemel. Aangezien de invloed van allen of van het algemene in elk afzonderlijke of in de delen is, zoals gezegd werd, is hij ook een hemel in het klein in een menselijke vorm. De mens immers ontleent het aan het goede en het ware dat hij een mens is en dat onderscheidt hem van de dieren.

Hemelse Verborgenheden 3635.

Er zijn in het menselijk lichaam twee dingen die de bronnen zijn van alle beweging, ook van alle uiterlijke of zuiver lichamelijke handelingen en gewaarwordingen, namelijk die van het hart en de longen. Deze twee stemmen zodanig met de Grootste Mens of de hemel van de Heer overeen, dat de hemelse engelen daarin een rijk uitmaken, en de geestelijke engelen een ander rijk, want het Rijk van de Heer is hemels en geestelijk. Het hemelse rijk bestaat uit hen die in de liefde tot de Heer zijn en het geestelijk rijk bestaat uit hen die in de naastenliefde tot de naaste zijn, zie: (2088, 2669, 2715, 2718, 3235, 3246). Het hart en zijn rijk stemt in de mens overeen met de hemelse engelen, de long en haar rijk stemt overeen met de geestelijke engelen. De engelen vloeien ook in de dingen die tot het hart en de longen behoren, zodat deze ook bestaan en blijven bestaan door de voortdurende invloeiing uit hen. Maar over de overeenstemming van hart en longen met de Grootste Mens moet, door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, in het bijzonder worden gehandeld.

Hemelse Verborgenheden 3636.

Het meest universele is dit: dat de Heer de Zon van de hemel is, en dat daaruit al het licht in het andere leven komt. Aan de engelen en geesten of aan hen die in het andere leven zijn, verschijnt helemaal niets van het licht uit de wereld. Het licht van de wereld dat uit de zon voortkomt is voor de engelen niets anders dan dikke duisternis. Uit de Zon van de hemel of door de Heer komt niet alleen het licht, maar ook de warmte, maar het is geestelijk licht en geestelijke warmte. Het licht verschijnt voor hun ogen als licht, maar ín zich draagt het inzicht en wijsheid, want het komt daaruit voort. De warmte wordt door hun zintuigen als warmte waargenomen, maar er is liefde in, want zij komt daaruit voort. Daarom wordt de liefde ook geestelijke warmte genoemd en maakt ook de warmte van het leven van de mens uit. Het inzicht wordt geestelijk licht genoemd en maakt ook het licht van het leven van de mens uit. Van deze universele overeenstemming worden de overige afgeleid; want alle dingen in het algemeen en in het bijzonder hebben betrekking op het goede, dat van de liefde is, en op het ware, dat tot het inzicht behoort.

Hemelse Verborgenheden 3637.

Met betrekking tot de mens is de Grootste Mens de gezamenlijke hemel van de Heer, maar in de hoogste zin is de Grootste Mens de Heer alleen, want uit Hem komt de hemel voort, en met Hem stemmen alle dingen overeen die daar zijn. Aangezien het menselijk geslacht ten gevolge van een boos leven en de daaruit voortvloeiende overtuigingen van het valse, geheel en al was ontaard, en omdat toen de lagere dingen bij de mens begonnen te heersen over zijn geestelijke dingen, zodat Jehovah of de Heer niet langer door de Grootste Mens, dat wil zeggen door de hemel, kon invloeien en die dingen in orde brengen, volgde daaruit de noodzakelijkheid van de komst van de Heer in de wereld. Op deze wijze trok Hij het menselijke aan en maakte dit goddelijk en herstelde door middel daarvan de orde, opdat de gezamenlijke hemel op Hem betrekking zou hebben als op de enige Mens en met Hem alleen zou overeenstemmen. Diegenen die zich in het boze en vandaar in het valse bevonden werden onder de voeten, dus buiten de Grootste Mens geworpen. Vandaar wordt van hen die in de hemelen zijn gezegd, dat zij 'in de Heer' zijn, ja zelfs in Zijn lichaam; want de Heer is het al van de hemel, in Wie allen en eenieder daar hun gebieden en ambten worden toegewezen.

Hemelse Verborgenheden 3638.

Dit is de reden, waarom in het andere leven alle gezelschappen, hoeveel dat er ook zijn, hun vaste ligging behouden ten opzichte van de Heer, die als Zon door de algehele hemel heen verschijnt. Wat wonderbaarlijk is, en nauwelijks door iemand geloofd zal kunnen worden, omdat het niet te begrijpen valt, is dit, dat de gezelschappen daar dezelfde ligging innemen ten opzichte van eenieder daar, waar hij ook zijn mag, en waarheen hij zich ook mag wenden en keren. Dit betekent dat gezelschappen die aan de rechterzijde verschijnen voortdurend aan zijn rechterhand zijn en die welke aan de linkerzijde verschijnen voortdurend aan zijn linkerhand. Ook dit is mij zeer dikwijls te zien gegeven door het keren van mijn eigen lichaam. Hieruit blijkt dat de vorm van de hemel van dien aard is, dat hij aanhoudend op de Grootste Mens betrekking heeft ten opzichte van de Heer, en dat alle engelen niet alleen bij de Heer, maar in de Heer zijn, of wat hetzelfde is, dat de Heer bij hen is, en in hen, anders zou dit niet zo bestaan.

Hemelse Verborgenheden 3639.

Alle liggingen daar verhouden zich daarom ten opzichte van het menselijk lichaam overeenkomstig de daarvan uitgaande richtingen, dat wil zeggen: rechts, links, vooraan, achteraan, onverschillig in welke positie. Deze overeenkomst geldt eveneens voor de vlakken, zoals ten opzichte van het vlak van het hoofd en de delen ervan, zoals het voorhoofd, de slapen, de ogen en de oren. Verder ten opzichte van het vlak van het lichaam, zoals dat van de schouders, borst, buik, lendenen, knieën, voeten en voetzolen. Verder ook boven het hoofd en onder de voetzolen in elke schuine richting, ook van achteren, van het achterhoofd neerwaarts. Uit de ligging zelf wordt onderkend welke de gezelschappen zijn en tot welke streken of gebieden van de organen of delen van de mens ze behoren; dit faalt nooit. Maar het wordt duidelijker onderkend aan hun karakter en gemoedsaard ten aanzien van de aandoeningen.

Hemelse Verborgenheden 3640.

De hellen, waarvan er zeer vele zijn, hebben eveneens een vaste ligging, zodat men daaruit alleen al kan weten, welke en hoedanige hellen het zijn. Met de ligging is het evenzo gesteld; die zijn alle onder de mens in vlakken in alle mogelijke richtingen onder de voetzolen. Sommigen uit de hellen schijnen ook boven het hoofd en elders verspreid, maar dat wil niet zeggen, dat ze daar hun werkelijke ligging hebben, want het is dan een overredende fantasie die bedrieglijk deze ligging vervalst.

Hemelse Verborgenheden 3641.

Allen, zowel zij die in de hemel, als zij die in de hel zijn, verschijnen rechtop; het hoofd omhoog en de voeten omlaag, niettemin zijn ze in zichzelf en zoals ze volgens de engelen worden gezien in een andere stand, dat wil zeggen, zij die in de hemel zijn hebben het hoofd naar de Heer gewend, die daar de Zon is en dus het algemeen middelpunt, waarvan alle stand en ligging afhangen. Maar zij die in de hel zijn daarentegen worden door de engelen met het hoofd omlaag en de voeten omhoog gezien; zij zijn dus in een tegenovergestelde, en tevens in een scheve houding. Voor de helsen is datgene beneden wat voor de hemelsen boven is, en datgene boven wat voor de hemelsen beneden is. Hieruit kan men enigermate zien hoe de hemel met de hel als het ware één uitmaken, of hoe ze tezamen één voorstellen in ligging en stand.

Hemelse Verborgenheden 3642.

Op zekere morgen was ik in gezelschap van engelgeesten, die naar gewoonte, één uitmaken in denken en spreken. Dit drong ook door naar de hel toe, waarin het werd voortgezet, en wel dermate, dat zij één schenen uit te maken met de helsen. Maar dit was mogelijk doordat het goede en het ware dat bij de engelen was, met een wonderbaarlijke omkering werd veranderd in het boze en valse bij de helsen. Dit gebeurde bij graden, naarmate het neervloeide waar de hel als één handelde door de overtuigingen van het valse en de begeerten van het boze. Hoewel de hellen buiten de Grootste Mens zijn, worden ze niettemin op zo'n wijze tot één samengebracht en daardoor in een ordening gehouden, overeenkomstig de wijze waarop ze met elkaar zijn verbonden; zo regeert de Heer uit het Goddelijke ook de hellen.

Hemelse Verborgenheden 3643.

Ik heb opgemerkt dat zij die zich in de hemelen bevinden, in een zuivere aura van licht zijn, zoals het licht van de morgen en de middag en ook dat van de nadering van de avond. Ook zijn ze in een warmte, zoals die van de lente, de zomer en de herfst. Zij echter die zich in de hel bevinden, zijn in een dikke, nevelige en duistere atmosfeer en ook in koude. Het werd waargenomen dat er tussen deze dingen in het algemeen een evenwicht heerst en verder dat voor zoveel de engelen in de liefde, de naastenliefde en vandaar in het geloof zijn, voor even zoveel ze in een aura van licht en in de warmte van de lente zijn. Voor zoveel als de helsen in haat en vandaar in het valse zijn, voor even zoveel zijn zij in dikke duisternis en koude. Het licht in het andere leven draagt, zoals eerder gezegd, in zich het inzicht, de warmte en de liefde; de duisternis waanzin en koude haat.

Hemelse Verborgenheden 3644.

Alle mensen van de gehele wereld hebben, voor wat betreft de ziel, of wat hetzelfde is, naar de geest die na het afsterven van het lichaam zal leven, een ligging òf in de Grootste Mens, dat wil zeggen in de hemel, òf daarbuiten in de hel. Dit weet de mens niet zolang hij in de wereld leeft, maar toch is hij daar en wordt van daaruit geregeerd. In de hemel zijn allen overeenkomstig het goede van de liefde en het daaruit voortvloeiende ware van het geloof. In de hel zijn allen overeenkomstig het boze van de haat en het daaruit voortvloeiende valse.

Hemelse Verborgenheden 3645.

Het gezamenlijke Rijk van de Heer is een rijk van einddoelen en nutten, zodat zelfs niet het geringste gebeurt dat niet een bedoeling heeft dat gericht is op een einddoel. Het werd mij gegeven om duidelijk de goddelijke sfeer gewaar te worden van einddoelen en het vervullen van nutten; ik kon toen sommige dingen ervaren die niet kunnen worden weergegeven. Alle dingen tot in bijzonderheden vloeien vanuit deze sfeer en worden daardoor geregeerd. Voor zoveel de aandoeningen, gedachten en handelingen het einddoel in zich dragen om van harte goed te doen, is de mens, de geest en de engel in de Grootste Mens, dat wil zeggen in de hemel; voor zoveel echter mens en geest het einddoel heeft vanuit zijn hart kwaad te doen, is hij buiten de Grootste Mens, dat wil zeggen, in de hel.

Hemelse Verborgenheden 3646.

Het is met de dieren evenzo gesteld ten aanzien van de invloeiingen en overeenstemmingen als met de mensen, namelijk dat er bij hen een invloeiing is uit de geestelijke wereld en een toevloeiing uit de natuurlijke wereld, waardoor ze worden samengehouden en leven. Maar de werking zelf vertoont zich op verschillende wijzen, al naar gelang de vormen van hun zielen en vandaar hun lichamen. Het is daarmee gesteld als met het licht van de wereld dat in de verschillende voorwerpen van de aarde in soortgelijke graad en wijze invloeit, maar niettemin op verschillende wijze werkt in de verschillende vormen. In sommige dingen brengt het mooie kleuren voort, in andere dingen lelijke. Evenzo, als het geestelijk licht invloeit in de zielen van redeloze dieren, wordt het op geheel andere wijze ontvangen en vandaar drijft het hen op andere wijze aan, dan wanneer het invloeit in de zielen van mensen. Dezen zijn immers in een hogere graad en in een volmaakter staat. Zij zijn van dien aard dat ze omhoog kunnen zien, dus naar de hemel en naar de Heer, en daarom kan de Heer hen aan Zichzelf toevoegen en hun het eeuwige leven geven. De zielen echter van de redeloze dieren zijn van dien aard, dat ze niet anders dan omlaag kunnen zien, dus alleen naar aardse dingen, en dus alleen aan die aardse dingen kunnen worden toegevoegd, waarom ze dan ook met het lichaam vergaan. Het zijn de einddoelen die aanwijzen van welke aard het leven is dat de mens heeft en van welke aard het dier heeft. De mens kan geestelijke en hemelse einddoelen hebben, en deze zien, erkennen, geloven en er door worden aangedaan, maar dieren kunnen geen andere einddoelen hebben dan natuurlijke. Zo kan de mens zijn in de goddelijke sfeer van einddoelen en nutbetrachtingen die in de hemel is en die de hemel uitmaakt. Maar dieren kunnen in geen andere sfeer zijn dan in die van de einddoelen en nutbetrachtingen die op aarde zijn. De einddoelen zijn niets anders dan liefden, want de dingen die men liefheeft, heeft men tot einddoel. Dat zeer vele mensen geen onderscheid weten te maken tussen hun leven en het leven van de dieren, komt, omdat zij eveneens in de uiterlijke dingen zijn en alleen zorg en hart hebben voor de aardse, lichamelijke en wereldse dingen. Zij die van dien aard zijn, geloven ook dat ze, wat hun leven betreft, aan de dieren gelijk zijn en net als deze na de dood zullen verdwijnen, want ze weten evenmin wat de geestelijke en hemelse dingen zijn, omdat ze er zich niet om bekommeren. Daarvandaan komt de waanzin van deze eeuw om zich met de redeloze dieren te vergelijken en het innerlijk onderscheid niet te zien. Maar wie de hemelse en geestelijke dingen gelooft, of het geestelijk licht laat invloeien en werken, ziet ten volle het tegenovergestelde en ook hoezeer hij boven de redeloze dieren staat. Maar over het leven van de redeloze dieren zal door de goddelijke barmhartigheid van de Heer afzonderlijk worden gehandeld.

Hemelse Verborgenheden 3647.

Hoe het met deze dingen gesteld is, werd eveneens getoond. Het werd gegeven enigen te zien en waar te nemen toen ze in het andere leven kwamen, en in het leven van hun lichaam alleen hadden gelet op aardse dingen en niets anders tot einddoel hadden gehad, en ook niet door middel van kennis in het goede en ware waren ingewijd. Ze hadden behoord tot de gewone zeevaarders en het boerenvolk. Ze schenen, zoals ook werd waargenomen, zo weinig leven te hebben, dat ik meende dat ze niet, zoals andere geesten, het eeuwig leven deelachtig konden worden. Ze waren als machines; met weinig bezieling. Maar de engelen droegen uiterste zorg voor hen en door middel van het vermogen dat ze als mensen hadden, brachten ze het leven van het goede en het ware in hen, waardoor ze meer en meer werden weggeleid van een leven dat gelijk was aan dat van dieren tot een menselijk leven.

Hemelse Verborgenheden 3648.

Er is ook een invloeiing, uitgaande van de Heer, door middel van de hemel, in het plantenrijk, zoals in bomen van allerlei soort en in hun bevruchtingen, en in de planten van allerlei soort en de vermenigvuldigingen daarvan. Wanneer het van de Heer uitgaande geestelijke niet voortdurend van binnen, in hun oorspronkelijke vormen, die in de zaden zijn, werkte, zouden ze nooit op zo'n wonderbaarlijke wijze en met zo'n wonderbaarlijke opeenvolging vegeteren en groeien. Maar de vormen daarin zijn van dien aard dat ze niets van het leven ontvangen. Het is door deze invloeiing dat ze een beeld van het eeuwige en oneindige in zich hebben, zoals duidelijk hieruit blijkt dat ze in het voortdurend streven zijn hun geslacht en hun soort voort te planten, om zo als het ware tot in eeuwigheid voort te leven, alsmede om het universum te verwezenlijken; dit streven is in elk zaad. Maar de mens schrijft al deze dingen die zo wonderbaarlijk zijn, aan de natuurlijke krachten zelf toe en gelooft ook niet aan enige invloeiing uit de geestelijke wereld, omdat hij die in zijn hart loochent. Hoewel, hij moet toch weten dat niets kan bestaan tenzij door dat waaruit het ontstond, dat wil zeggen, dat bestaan een altijddurend ontstaan is, of wat hetzelfde is, dat de voortplanting een voortdurende schepping is. Vandaar is de gezamenlijke natuur het uitbeeldend theater van het Rijk van de Heer. Doch ook hierover en over de overeenstemming daarvan met de Grootste Mens, zal door de goddelijke barmhartigheid van de Heer elders worden gesproken.

Hemelse Verborgenheden 3691.

… 'Jakob ging uit van Beerschebah en hij ging naar Charan'; in de innerlijke zin wordt hier aangeduid dat hij zich verder van de goddelijke leerstellige dingen af begaf, dus naar het uiterlijk goede en ware. Goedheden en waarheden zijn onderling geheel en al onderscheiden naar gelang van de graden; de innerlijke goedheden en waarheden zijn in een hogere graad en de uiterlijke goedheden en waarheden zijn in een lagere graad. In een hogere graad zijn de goedheden en waarheden die tot het redelijke behoren; en in een lagere graad zijn de goedheden en waarheden van het natuurlijke. In de laagste graad zijn de zinnelijke goedheden en waarheden die tot het lichaam behoren. De innerlijke goedheden en waarheden, of die welke in een hogere graad zijn, vloeien in de uiterlijke goedheden of waarheden, of in die, welke in een lagere graad zijn en vertonen daar een beeld van zichzelf, bijna zoals de innerlijke aandoeningen van een mens zich vertonen in het gelaat en in de veranderingen daarvan. Hieruit blijkt duidelijk dat de meer innerlijke goedheden en waarheden geheel en al gescheiden zijn van de uiterlijke goedheden en waarheden, of, wat hetzelfde is, dat die in een hogere graad geheel en al gescheiden zijn van die in een lagere graad, en wel zodanig dat de innerlijke goedheden en waarheden, of die welke in een hogere graad zijn, kunnen bestaan zonder de meer uiterlijke goedheden en waarheden, of die welke in een lagere graad zijn. Wie geen duidelijk begrip van de graden heeft, kan ook geen duidelijk begrip hebben van de meer innerlijke en uiterlijke goedheden, en evenmin hoe het gesteld is met de ziel van de mens, of met zijn geest en lichaam, noch hoe het gesteld is met de hemelen in het andere leven. Het is bekend dat er drie hemelen zijn, en dat de ene hemel innerlijker is dan de andere, en dat de derde hemel de binnenste is. Deze hemelen zijn onderling ten zeerste onderscheiden overeenkomstig de graden. Zij, die in de binnenste of derde hemel zijn, zijn dichter bij de Heer; zij, die in de meer innerlijke of tweede hemel zijn, zijn verder verwijderd; en zij, die in de meer uiterlijke of in de eerste hemel zijn, zijn nog verder verwijderd. De verbinding tussen deze hemelen kan op geen andere wijze bestaan dan zoals de gemeenschap is van de binnenste dingen van de mens met zijn uiterlijke dingen. De mens immers die in de liefde tot de Heer is en in de naastenliefde jegens de naaste, is een soort van hemel in het klein, die in beeld overeenstemt met de drie hemelen; ook ontvangt hij van de Heer uit de drie hemelen de invloed van het goede en ware overeenkomstig dezelfde graden. Van welke aard de graden onderling zijn, kan blijken uit de beide voorbeelden die eerder zijn aangevoerd, (3688, 3690). Zij, die in de liefde zelf tot de Heer zijn, dermate dat zij de innerlijke gewaarwording van de liefde hebben, zijn in een hogere graad van het goede en ware, en in de binnenste of derde hemel, dus de Heer dichter nabij, en zij worden hemelse engelen genoemd. Zij die in de naastenliefde jegens de naaste zijn, dermate dat ze de innerlijke gewaarwording van de naastenliefde hebben, en niet zozeer de innerlijke gewaarwording van de liefde tot de Heer, zijn in een lagere graad van het goede en ware en in de meer innerlijke of tweede hemel, en dus verder van de Heer verwijderd, en zij worden geestelijke engelen genoemd. Zij echter die in de naastenliefde jegens de naaste zijn alleen uit de aandoening van het ware, dermate dat zij niet de innerlijke gewaarwording van de naastenliefde zelf jegens de naaste hebben dan alleen krachtens het ware, waardoor zij worden aangedaan, zijn in een nog lagere graad van het goede en ware en in de meer uiterlijke of eerste hemel, en zo dus nog verder van de Heer verwijderd, en zij worden goede geesten genoemd. Hieruit kan enigszins blijken, hoe het met de graden is gesteld, namelijk dat de dingen die in de hogere graad zijn, zich in beeld vertonen in de dingen die in de naastgelegen lagere graad zijn. In de liefde tot de Heer is het naastgelegen beeld van de Heer, wat gelijkenis wordt genoemd, waarom diegenen, die in de liefde zelf tot de Heer zijn, gelijkenissen van Hem worden genoemd. In de naastenliefde is ook het beeld van de Heer, maar verder verwijderd, want in de naastenliefde zelf is de Heer tegenwoordig, waarom degenen die daarin zijn, beelden van Hem worden genoemd, (50, 51, 1013). Maar zij die in de aandoening van het ware zijn, en vandaar in een bepaald soort van naastenliefde jegens de naaste, zijn ook beelden van de Heer, maar nog verder verwijderd. In deze graden zijn de drie hemelen onderscheiden, en volgens deze graden vloeit de Heer in met het Goddelijk Goede en Ware, dus met wijsheid en inzicht en met hemelse vreugde en gelukzaligheid.

Hemelse Verborgenheden 3701.

… Het is bekend dat de mens wordt geboren in de natuur van zijn ouders en van zijn grootouders en ook van zijn voorouders door de eeuwen heen, dus in het geleidelijk opgehoopte erfboze van al deze mensen, en wel dermate, dat hij, voor zoveel op zich zelf beschouwd, niets dan het boze is …

Hemelse Verborgenheden 3721.

Dat de woorden: 'en dit is de poort des hemels', (Genesis 28:17), het laatste betekenen, waarin de orde eindigt, door welk laatste er schijnbaar van de natuur uit een ingang is, blijkt uit de betekenis van de poort, hetgeen uitgang en ingang is. Dat die hier het laatste is waarin de orde eindigt, komt omdat gehandeld wordt over het natuurlijke, dat door Jakob wordt uitgebeeld. Wat een poort is, blijkt uit hetgeen in: ( 2851, 3187), werd gezegd en aangetoond; en dat het natuurlijke het laatste van de orde is, zie: (775, 2181, 2987 tot 3002, 3020, 3147, 3167, 3483, 3489, 3513, 3570, 3576, 3671). Dat er door dit laatste schijnbaar van de natuur uit als het ware een ingang is, komt, omdat het bij de mens het natuurlijk gemoed is, waardoor de dingen, die van de hemel zijn, dat wil zeggen, van de Heer zijn, invloeien en neerdalen in de natuur, en door dit zelfde gemoed de dingen die tot de natuur behoren, opklimmen, (3702). Dat het echter schijnbaar een ingang is van de natuur uit door middel van het natuurlijk gemoed in de inwendige dingen, kan blijken uit wat eerder hier en daar gezegd en aangetoond werd. Het schijnt de mens toe, dat de voorwerpen van de wereld door de zintuigen van zijn lichaam of de uiterlijke zintuigen binnentreden en de inwendige dingen aandoen, en dat er op deze wijze van het laatste van de orde een ingang is in de dingen die binnen zijn, maar dat dit schijn en begoocheling is, blijkt duidelijk uit de algemene regel, dat de latere dingen niet in de eerdere kunnen vloeien, of wat hetzelfde is, de lagere niet in de hogere, of wat hetzelfde is, de uitwendige niet in de inwendige, of wat opnieuw hetzelfde is, de dingen die van de wereld en van de natuur zijn, niet in de dingen die van de hemel en van de geest zijn, want de eerstgenoemde zijn grover, de laatstgenoemden puurder; en geen grovere dingen die tot de uiterlijke of natuurlijke mens behoren, bestaan en blijven bestaan door die dingen, die tot de innerlijke of redelijke mens behoren, en zij kunnen de puurdere dingen niet aandoen, maar worden aangedaan door de puurdere dingen. Hoe het intussen met deze invloed gesteld is, aangezien de schijn zelf en de begoocheling zelf geheel en al het tegendeel betuigen, zal door de goddelijke barmhartigheid van de Heer afzonderlijk gezegd worden waar over de invloed gehandeld wordt. Daarvandaan nu komt het, dat gezegd wordt, dat er door het laatste waarin de orde eindigt, schijnbaar als het ware een ingang is van de natuur uit.

Hemelse Verborgenheden 3741.

Het hemelse rijk is als één enkel mens, aangezien alle dingen daarin elk afzonderlijk met de Heer overeenstemmen, dat wil zeggen, met Zijn Goddelijk Menselijke, dat alleen Mens is, zie: (49, 288, 565, 1894). Volgens de overeenstemming met het beeld van en de gelijkenis met Hem wordt de hemel vaak de Grootste Mens genoemd. Het goddelijke van de Heer is de bron in de hemel van alle dingen die tot het goede behoren, en alle geestelijke dingen die tot het ware behoren. Alle engelen daar zijn vormen, of substanties, gevormd naar de wijze van ontvangen van de goddelijke dingen die van de Heer komen. De goddelijke dingen van de Heer zoals die ontvangen worden door de engelen, worden hemels en geestelijk genoemd, want het goddelijke leven en het daaruit voortvloeiende goddelijke licht tonen zich zo en worden gemodificeerd volgens de ontvangers ervan. Vandaar komt het dat ook de stoffelijke vormen en substanties bij de mens van dien aard zijn, maar in een lagere graad, omdat ze grover en meer samengesteld zijn. Dat deze ook vormen zijn, die hemelse en geestelijke dingen ontvangen, komt ten duidelijkste uit in tekenen die ten volle zichtbaar zijn, zoals in de gedachte die vloeit in de organische vorm van de tong, en zo de spraak teweeg brengt; in de aandoeningen van het gemoed die zich zichtbaar vertonen in het gelaat; in de wil, die door de spieren in de handelingen vloeit enzovoort. De gedachte en de wil die deze dingen voortbrengen, zijn geestelijk en hemels, terwijl de vormen of substanties, die ze ontvangen en in werking stellen, stoffelijk zijn. Dat deze substanties geheel en al gevormd zijn om de gedachte en de wil te ontvangen, is duidelijk, vandaar blijkt dat deze de bron zijn van de materiele vormen en dat wanneer ze niet daarvan uitgingen, ze niet zouden kunnen bestaan zoals ze zijn.

Hemelse Verborgenheden 3742.

Dat er één enig leven is en dit van de Heer alleen komt, en dat de engelen, de geesten en de mensen slechts ontvangers van dit leven zijn, is mij door zo veelvuldige ervaring te weten gegeven, dat er niet het minste spoor van twijfel overbleef. De hemel zelf is in de innerlijke gewaarwording dat het zo is, en wel dermate, dat de engelen de invloed duidelijk gewaarworden, en ook hoe dit invloeit, alsook de hoeveelheid en de hoedanigheid van wat ze daarvan ontvangen. Wanneer ze in een vollere staat van opneming zijn, genieten ze hun vrede en gelukzaligheid; anders verkeren ze in een staat van onrust en van een zekere angst, niettemin wordt hun het leven van de Heer zo toegeëigend, dat ze de innerlijke gewaarwording hebben, alsof ze uit zichzelf leven, terwijl ze toch weten dat ze niet uit zichzelf leven. De toe-eigening van het leven van de Heer komt voort uit Zijn liefde en barmhartigheid voor het gehele menselijke geslacht, dat wil zeggen, dat Hij Zich en wat het Zijne is aan eenieder geven wil, en dat Hij daadwerkelijk geeft, voor zoveel wordt opgenomen, dat wil zeggen, voor zoveel ze als Zijn gelijkenissen en beelden in het leven van het goede en het leven van het ware zijn. Aangezien een dergelijk goddelijk streven voortdurend van de Heer uitgaat, wordt Zijn leven, zoals gezegd, aan hen toegeëigend.

Hemelse Verborgenheden 3743.

Zij echter die niet in de liefde tot de Heer en in de liefde voor de naaste zijn, bijgevolg niet in het leven van het goede en het ware, kunnen niet erkennen dat er één enig leven is wat invloeit, en nog minder, dat dit leven van de Heer uitgaat. Al diegenen zijn verontwaardigd, ja, zelfs keren ze zich af, als gezegd wordt dat ze niet uit zichzelf leven; het is de eigenliefde die dit doet. Wat wonderlijk is, hoewel het aan hen met levende ondervinding in het andere leven wordt aangetoond, dat ze niet uit zichzelf leven, en ze dan zeggen, omdat ze overtuigd zijn, dat het inderdaad zo is, blijven ze toch daarna volharden in dezelfde opvatting. Zij menen dat als ze uit een ander leefden en niet uit zichzelf, alle bekoring van hun leven te gronde zou gaan; ze weten niet dat het tegendeel het geval is. Vandaar komt het dat de bozen zichzelf het boze toe-eigenen, omdat ze niet geloven dat de boosheden uit de hel zijn; en dat het goede hun niet kan worden toegeëigend, omdat ze geloven dat het goede uit henzelf en niet uit de Heer is. Maar niettemin zijn de bozen en ook zij die in de hel zijn, vormen, die het leven ontvangen van de Heer, maar zulke vormen dat ze het goede en ware óf verwerpen, óf verstikken, óf verdraaien. Zo worden de goedheden en de waarheden die van het leven van de Heer uitgaan, boosheden en valsheden. Het is hiermee gesteld als met het licht van de zon, dat, hoewel het enkelvoudig en blank is, toch, als het door de vormen heengaat of daarin vloeit, veranderd wordt, mooie en aangename kleuren tevoorschijn roept, maar ook lelijke en onaangename.

Hemelse Verborgenheden 3744.

Hieruit kan nu blijken van welke aard de hemel is, en vanwaar het komt dat het de Grootste Mens wordt genoemd. De diversiteit ten aanzien van het leven van het goede en het ware daar is ontelbaar en gedraagt zich overeenkomstig de opneming van het leven uit de Heer. Ze staan geheel en al in verhouding tot elkaar, zoals waarin de organen, leden en inwendige delen in de mens zijn. Dit zijn allemaal vormen in een oneindige verscheidenheid, die het leven ontvangen van hun ziel, of liever van de Heer door de ziel, en toch - hoewel ze in een dergelijke verscheidenheid zijn - niettemin tezamen één mens uitmaken.

Hemelse Verborgenheden 3745.

Hoe groot en hoedanig deze diversiteit is, kan blijken uit de verscheidenheid in het menselijk lichaam. Het is bekend dat geen enkel orgaan of lid gelijk is aan het andere, zoals het gezichtsorgaan niet gelijk is aan het gehoorsorgaan en dat het ook zo gesteld is met het reukorgaan en met het orgaan van de smaak en dat van de tastzin dat zich over het gehele lichaam uitstrekt. Zo ook met de leden, als de armen, handen, lendenen, voeten, voetzolen, en ook met de inwendige delen die binnenin liggen opgesloten, zoals die tot het hoofd behoren, zoals de hersenen, de kleine hersenen, het verlengde merg en het ruggenmerg, met alle kleine organen, ingewanden, vaten en vezels, waaruit ze zijn samengesteld. Voorts die tot het lichaam onder het hoofd behoren, zoals hart, longen, maag, lever, alvleesklier, milt, darmen, darmscheel, nieren, en ook die tot de voortplanting bestemd zijn in beide geslachten. Het is bekend dat alle en elk van deze dingen onderling ongelijk zijn naar de vormen en naar de functies, en wel zó ongelijk dat ze geheel en al verschillen. Ook zijn er vormen binnen de vormen, die eveneens van zo'n verscheidenheid zijn, dat niet één vorm, zelfs niet één kleinste deeltje, volkomen gelijk is aan een ander, dat wil zeggen, zo gelijk dat het in de plaats van een andere vorm gesteld zou kunnen worden zonder enige verandering, hoe gering ook. Al deze dingen stemmen in het algemeen en in het bijzonder met de hemelen overeen, maar op zo'n wijze, dat de dingen die bij de mens lichamelijk en stoffelijk zijn, daar hemels en geestelijk zijn; en ze stemmen op zo'n wijze overeen, dat ze daardoor bestaan en blijven bestaan.

Hemelse Verborgenheden 3746.

In het algemeen heeft al deze diversiteit betrekking op de dingen die behoren tot het hoofd, de borst, de buik, en op de dingen die behoren tot de geslachtsdelen. Eveneens overal op de dingen die inwendig en op die welke uitwendig zijn ten aanzien van elk van deze delen.

Hemelse Verborgenheden 3747.

Een aantal malen heb ik gesproken met geesten over de geleerden van onze eeuw, namelijk dat ze niets weten dan de mens in een innerlijke en in een uiterlijke te onderscheiden en dit niet door overdenking over de inwendige dingen van de gedachten en aandoeningen bij zichzelf, maar door het Woord van de Heer. Niettemin weten ze niet wat de innerlijke mens is en velen twijfelen zelfs of het bestaat, ze ontkennen het ook omdat ze niet het leven van de innerlijke, maar dat van de uiterlijke mens leven. Ze worden er zeer door verleid om te menen dat de redeloze dieren aan hen gelijk schijnen te zijn voor wat betreft organen, inwendige delen en zintuigen, begeerten en aandoeningen. Er werd gezegd dat de geleerden ten aanzien van deze dingen minder weten dan de eenvoudigen; hoewel het henzelf toeschijnt er veel meer van te weten. Zij argumenteren immers over het verkeer van de ziel en het lichaam, ja zelfs over de ziel zelf, wat deze is, terwijl toch de eenvoudigen weten, dat de ziel de innerlijke mens is en dat die zijn geest is die na de dood van het lichaam leven zal, en verder dat het de mens zelf is die in het lichaam woont. Verder dat de geleerden zich meer dan de eenvoudigen met de redeloze dieren vereenzelvigen, en alle dingen aan de natuur toeschrijven en nauwelijks iets aan het Goddelijke. Zij denken er niet verder over, dat de mens in tegenstelling tot de redeloze dieren, kan denken over de hemel en over God, en zich zo boven zichzelf verheffen kan, en zo door de liefde met de Heer verbonden worden, en dat de mens daarom niet anders kan dan na de dood tot in eeuwigheid leven. Bovenal weten ze niet dat alle dingen bij de mens tot in bijzonderheden afhangen van de Heer, door de hemel heen, en dat de hemel de Grootste Mens is, waarmee tot in bijzonderheden alle dingen overeenstemmen die in de mens zijn, en ook die in de natuur zijn. Wanneer ze deze dingen horen of lezen zullen dit tegenstrijdigheden voor hen zijn, zodat ze, wanneer de ervaring dit niet bevestigt, dit zullen verwerpen als fantasie. Zo zullen ze ook reageren als ze horen dat er drie graden van het leven in de mens zijn, zoals er drie graden van het leven in de hemelen zijn, dat wil zeggen, drie hemelen, en dat de mens zó met deze drie hemelen overeenstemt, dat hij, wanneer hij in het leven van het goede en het ware is, en door dat leven een beeld van de Heer is, zelf een beeld van de hemel in het klein is. Ik ben onderricht over deze graden van het leven, namelijk dat het de laatste graad van het leven is die de uiterlijke of natuurlijke mens wordt genoemd, waardoor de mens gelijk is aan de dieren ten aanzien van begeerten en fantasieën. De tweede graad wordt de innerlijke of redelijke mens genoemd, hierdoor staat de mens boven de dieren. Door middel van deze kan hij het goede en het ware denken en willen en de natuurlijke mens beheersen door de begeerten ervan en de daaruit voortvloeiende fantasieën tegen te gaan en te verwerpen en bovendien binnen in zichzelf over de hemel, ja zelfs over het Goddelijke na te denken, wat de redeloze dieren absoluut niet kunnen. Er is een derde graad van leven die de mens geheel onbekend is, niettemin is het deze door middel waarvan de Heer in het redelijke, het hogere deel van het gemoed, invloeit. Hiervandaan heeft de mens het vermogen om als mens te denken, en waarvan hij het geweten heeft en waarvan hij de innerlijke gewaarwording van het goede en ware heeft, en ook door de Heer de opheffing tot Hemzelf heeft. Maar deze dingen liggen ver verwijderd van de voorstellingen van de geleerden van deze tijd, die slechts redetwisten of iets bestaat, en zolang ze dat doen, niet weten kunnen dat het bestaat, en nog minder wat het is.

Hemelse Verborgenheden 3748.

Er was een zekere geest die toen hij in de wereld leefde, bij de gewone mensen als geleerde bekend stond. Hij had een geraffineerde aard om valsheden te bevestigen en was uiterst dom met betrekking tot goedheden en waarheden. Hij verbeeldde zich, zoals hij eerder in de wereld deed, dat hij alles wist, want dezen houden zich voor het toppunt van wijsheid en geloven dat niets voor hen verborgen is. Zoals ze in het leven van het lichaam waren, zo zijn ze in het andere leven; want alle dingen die tot iemands leven behoren, dat wil zeggen die tot zijn liefde en aandoening behoren, volgen hem. Deze zijn in hem als de ziel in het lichaam, aangezien hij door deze dingen zijn ziel, wat haar aard betreft, heeft gevormd. Deze mens, die toen een geest was, kwam tot mij, en sprak met mij en daar hij zo'n inborst had, vroeg ik hem: 'Wie heeft meer inzicht, hij die veel valsheden weet, of hij die een weinig van het ware weet?'. Hij antwoordde: 'Die een weinig van het ware weet'. Want hij meende dat de valsheden die hij kende, waarheden waren, en dat hij dus een wijze was. Daarna wilde hij redetwisten over de Grootste Mens, en over de daaruit voortvloeiende invloed in elk van de dingen van de mens. Maar aangezien hij er niets van begreep, vroeg ik hem hoe hij het opvatte, dat de gedachte die geestelijk is, het gehele gelaat beweegt en zichzelf daarin vertoont en ook alle organen van de spraak beweegt en dit duidelijk onderscheiden tot aan de geestelijke gewaarwording van die gedachte. Daarna vroeg ik hem hoe hij het zag, dat de wil de spieren van het gehele lichaam beweegt en de duizenden vezels die daar doorheen verspreid liggen, voor één enkele handeling, omdat hetgeen beweegt geestelijk is, en hetgeen bewogen wordt lichamelijk. Maar hij wist niet wat hij moest antwoorden. Verder sprak ik over het streven, en vroeg hem of hij wist dat het streven de handelingen en bewegingen voortbrengt, en dat in handelingen en beweging het streven moet zijn, opdat ze bestaan en blijven bestaan. Hij zei dat hij dit niet wist; daarom vroeg ik hem hoe hij dan wilde redeneren, als hij zelfs niet eens de eerste beginselen wist. Verder zei ik hem dat het dan met zo'n redenering gesteld is als met los zand zonder enige samenhang, dat de valsheden zozeer uiteendrijft dat men tenslotte niets weet en dus niets gelooft.